|
-A-
aellutken- bnw: 'een weinig' 1.88
aemsdonck, amsdonck- znw: 'zetmeel' 1.16,
1.17, 1.18,
1.45
af ghieten, af ghijeten- ww:
'afgieten'
1.53
af setten- ww: 'van het vuur halen' 1.24
af sijlten-
Corrupt voor afsetten
(vglk. GV VIII.26, CI p.145/146) 1.20
ajuijn- juyn
amandellen (pl), amandelen (pl),
mandellen (pl) - znw: 'amandelen' 1.9,
1.13,
1.16, 1.17,
1.23, 1.27,
1.30, 1.44,
1.53,
1.59, 1.63,
1.64, 1.65, 1.73, 1.74,
1.78 gheschelden
amandellen- 'gepelde amandelen' 1.60
(a)mandelboter-
znw: 'amandelboter' Vgl pindakaas. 1.74
amandelmolck,
ameldel molcks- znw: 'amandelmelk' 1.18, 1.73, 1.74
amandel
pappen- znw: 'amandelpap' 1.74
andivie
water- znw: 'afrteksel van andijvie' 1.91
anijs- znw,
kruid: 'anijs' 1.82
appelcock-
znw, gerecht: 'appelkoek' Soort pannekoek 1.72
appel (pl), appelle (pl),
appellen (pl)- znw, vrucht: 'appels' 1.20,
1.59, 1.60,
1.61, 1.62,
1.63, 1.64,
1.65, 1.66, 1.72,
1.78, 1.86,
1.87
appeltart-
znw, gerecht: 'appeltaart' 1.87
-B-
backen- ww: 'bakken'
1.63, 1.66,
1.78
balssum- znw,
tuinkruid: * 'kruizemunt' 1.58
bammengier-
Verschrijving voor blammengier
baef- znw: 'Bavo'
Beschermheilige van Gent. Zijn
naamdag is op 1 oktober. 1.62
bant- znw: * 'bindmiddel'
1.25
bassielijckum-
znw, kruid: * 'basilicum' 1.58
baxsse-
'bak ze' 1.61
beduijte,
bedeute, bedewijte- znw, maat: * 1/4 kan, 0,4 liter (VH),
maar hier misschien gelijk aan pijnte 1.16, 1.25, 1.88,
1.91
been- znw, deel ve dier: 'bot' 1.18
beersvel, bersvels- znw, vlees: 'vet
keelstuk van het varken' 1.23
bernaesij,
bernardij- znw, kruid: 'boragie' Borago officinalis, komkommerkruid. 1.92
bernen- ww: 'roosteren' (brood) 1.40
beschaten-
not beschaten
betonij-
znw, kruid: 'betonie' Stachys officinalis, koortskruid. 1.92
betonje
water- znw: 'aftreksel van betonie' 1.91
bladren van blomen- znw, deel ve
plant: 'bloemblaadjes' 1.8
blaes, blase-
znw, orgaan: 'blaas' 1.71
blaeu, blau,
blauen- bnw: 'blauw' (Het ms heeft
in 1.4 een corrupte
vorm: beau) 1.4, 1.74
blammengier- znw, gerecht: 'blancmanger' Een
lichtgekleurde saus of dikke brij, gebonden met amandelen of amandelmelk. 1.16,
1.17, 1.18
bleck- bnw: lett: 'bleek' * 'glazig'
Van
gefruite uien. 1.20, 1.21
blome- znw, deel ve plant: 'bloem' 1.8 teruen
blomen- 'tarwebloem'
1.68, 1.70, 1.85
bluijsteren- ww: * 'verschroeien' (wel in WNT)
1.15
bode(m)-
znw: 'bodem' 1.77
boghelosse-
znw, kruid: 'ossetong' Anchusa officinalis. 1.92
boragie
water- znw: 'aftreksel van bernagie' 1.91
borende
water- 'brandewijn', 'vuurwater' 1.91
leuens water
bornen (ghebort, ghebornt, gheborst)- ww: eig. 'branden', * 'roosteren'
1.10, 1.43,
1.46
boter, boeter, botere,
boteren- znw: 'boter' 1.13,
1.21, 1.40,
1.52, 1.58,
1.61, 1.63,
1.66, 1.68, 1.77, 1.80,
1.81 In de betekenis van 'amandelboter' 1.74
Boter gemaakt met eieren 1.77
clar boter- 'geklaarde boter' 1.67
boter weruen- 'kleur van boter' 1.74
boteren- ww: 'boter in iets
doen' 1.75
braden (ghebraden, ghebraeden)- ww: 'braden' in alle betekenissen: in een
pan, roosteren aan het spit of op een rooster 1.12,
1.19, 1.20,
1.21, 1.22,
1.28, 1.34,
1.35, 1.42a,
1.44, 1.54,
1.60
brasijenmen- znw, zoetwatervis: 'brasem' 1.45
breken- ww:
'stampen, fijnmaken' 1.72
broet, brot, broot- znw: 'brood' 1.9,
1.10, 1.13,
1.37, 1.38,
1.40, 1.41,
1.42a, 1.42b
, 1.43, 1.44,
1.45, 1.46,
1.50, 1.56
wijtten broet, wijtten broets, wijttenbrot,
wijtbroet, wijt broet, wijt broets, wijt brots, wijt brot- znw:
'wittebrood' 1.13, 1.14,
1.15, 1.21,
1.22, 1.23,
1.24, 1.27,
1.28, 1.33,
1.35,
1.47,
1.48, 1.54,
1.57, 1.58,
1.59,
1.60, 1.72,
1.83 gheraspt wijt broet, gheraspt
wijttenbroet- 'geraspt wittebrood' 1.72,
1.83, 1.84
brot sucar- brot sucar
brouwe, brouue- znw, vloeistof: 'kookvocht' 1.10
Definitie: "brouue dat is half wlessop ende half wijn" (1.10)
bruijn- bnw: 'bruin' 1.10,
1.40
brij- znw:
hier *pulp' 1.74
busse- znw:
'bus' (Als in "beschuitbus") 1.77
bijaen-
znw, wijnsoort: Wijn uit Beaune (Bourgogne). 1.88
bijnden (ghebonden)- ww: 'binden'
Van een saus of gerecht.
1.13, 1.23,
1.38, 1.40,
1.43, 1.46,
1.53, 1.74, 1.86
bij peeper- znw, gerecht: Gekruide saus
bij varkensvlees. 1.43
-C-
calfsoeren
(pl)- znw: 'kalfsoren' Hier: gebak in de vorm van een kalfsoor.
1.64
calfsvoet- znw, vlees: 'kalfspoot'
Zeer
geschikt om gelatineuze bouillon van te trekken. 1.25
cameneij- comeneij
canel, canels, calel- znw, specerij: 'kaneel' 1.14,
1.15, 1.20,
1.22, 1.25,
1.26, 1.28,
1.33, 1.35,
1.36, 1.38,
1.40 , 1.43,
1.51, 1.53,
1.54, 1.58,
1.64, 1.83,
1.87, 1.89, 1.90,
1.91 poeder
van canel- canelpoyer, pijpcanel
canelpoyer, calelpoyer, canelpoyder,
canel poder, canel poeder- znw, specerij: 'gemalen kaneel' 1.10,
1.11, 1.12,
1.13, 1.27,
1.30, 1.52,
1.59,
1.60, 1.65,
1.66, 1.69, 1.72,
1.81, 1.86
cappen- ww:
'fijnhakken' 1.87
capuijn, capuynen (pl), capuijnen (pl)- znw, gevogelte: 'kapoen'
Een
gecastreerde haan. 1.16, 1.28,
1.35
carspet,
cars speckt- znw: 'brood' Volgens CI "witbrood".
In MNW uit citaat "blanck of
groff kerspet" ("wit of bruin brood"). 1.66,
1.67
clar, claer- 1.
bnw: 'helder' 1.25,
1.53, 1.88 2.
bw: 'volkomen'
1.53
claren (gheclard)- ww: 'zuiveren'
1.53
clareyt sack- znw, keukengerei: * 'wijnzak'
Puntvormig, bedoeld om de wijn te filteren (MNW geeft als betekenis:
"om de wijn in te bewaren"). 1.25, 1.88
clauuen- znw: lett. 'klauw' clauuen
... ghenbars- 'gemberknol' 1.27
clonten (pl)- znw: 'klonten' 1.16
coelen- ww:
'afkoelen' 1.69
colen- kolen
comeneij, coemeneij, cameneij, coemeneijn- znw, gerecht: 'komijnsaus'
Met
komijn. 1.15, 1.39
(bij gezouten vlees en patijzen/fazenten), 1.45
(bij zoetwatervis in de vastentijd) Zie ook hameleijn.
coren- znw: 'koren', 'graan' 1.8
criijt- cruijden
cruijden- ww: 'kruiden' 1.11
cruijt, tcruijt- znw: 'gemalen specerijen' 1.9,
1.46, 1.53,
1.63
cubeben- znw, specerij: 'cubebe peper',
'staartpeper' 1.17
-D-
dalen- de halen- hael, roets
van dalen
deech,
dech, deck- znw: 'deeg' 1.61, 1.64,
1.78
dienen, dijnen- ww: 'opdienen', 'serveren'
1.13, 1.14,
1.64
doeck-
'doek' 1.74
doepen- ww: 'doppen' of 'dopen' eeijeren
jn die boeter gedoept- 'in (veel) boter gebakken eieren' 1.52
doer- doijer
(1.86)
doer slaen, doer doen (doer geslaghen, doer
ghesleghen)- ww: 'door [een zeef] duwen'' ',
'zeven' (passim)
donst- znw:
'fijne bloem van meel' 1.85
dop, doppen
(pl)- znw: 'schaal' Van een ei. 1.73
doter- 'doe
er'
doudijnen- znw, gerecht: *Naam van een
saus. 1.20
doijer, doyer,
doer, doyeren (pl)- znw: 'dooier' 1.18,
1.33, 1.34,
1.37, 1.41,
1.71, 1.73, 1.75,
1.83, 1.85
roden doer- 'rode dooier' 1.86
dranck-
znw: 'geneeskrachtige drank' 1.91
droghen- ww: 'drogen' 1.1,
1.8, 'roosteren' Drogen dmv vuur.
1.9, 1.14
dropen (ghedropt)- ww: 'bedruipen' Met vet.
1.35
dunne- bnw: 'dun' Van een saus. 1.39
duven, duuen, duijffen (pl)- znw, gevogelte: 'duiven' 1.21,
1.22, 1.33
dijck, dijcke,
dijckke- bnw/bw: 'dik' van een saus 1.14,
1.16, 1.18,
1.34, 1.35,
1.37, 1.44,
1.45, 1.74, 1.75
dijcken-
ww: 'indikken' Door inkoken. 1.82
dijckten,
dijcksten- znw: 'dikte', 1.68, 1.70
dijnen, dijenen- ww: 'opdienen', 'serveren' 1.21,
1.22, 1.23, 1.73
dijstelleren-
ww: 'distilleren' 1.92
-E-
eck, eeck, exs, eexs, eyck, edick, edijck- znw, vloeistof: 'azijn' 1.9,
1.11, 1.12,
1.13, 1.14, 1.15,
1.20, 1.22,
1.26, 1.27,
1.30, 1.35,
1.38,
1.39, 1.41,
1.42a, 1.42b, 1.46,
1.47,
1.48,
1.50, 1.51, 1.86
Zie ook wijneck.
eent, eentvoghel, entvoghel, eentvoghell-
znw, gevogelte: 'eend' 1.19, 1.20
eghen- negheen
elft- znw, vis: '' elft' Een haringachtige
zeevis die in het voorjaar de rivieren opzwemt om kuit te schieten. 1.54
elsen-
znw, kruid: * 'alsem' ofwel 'absint' Een bitter kruid. 1.56
erden- bnw: 'van aardewerk' 1.16,
1.53, 1.73, 1.76
eruijten (pl)- znw, peulvrucht: 'erwten' De
volwassen groene erwten of velderwten, niet de doperwtjes. 1.40
exs, eexs-
eck
ey, eye, eey, eijeren(pl), eeijeren
(pl), eyer (pl),
eyeren
(pl)- znw: 'ei' 1.18, 1.33,
1.34, 1.41,
1.52,
1.61, 1.62, 1.66,
1.67, 1.68,
1.71, 1.72, 1.73, 1.75,
1.76, 1.86 harden
eyeren, haerdde eyeren- 'hardgekookte eieren' 1.37,
1.58, 1.63,
1.78
eyer ghegrinden- 'gebakken eieren' of
'omelet' of 'roereieren'. 1.42a, 1.42b rauen
ey, ru
eyeren, ruuen eyeren- 'rauw(e) ei(eren)' 1.63, 1.66, 1.84, 1.85
eyer smaut- * + 'omelet' 1.67 gherurden
eyeren- *'roerei' 1.86 Zie
ook wijt nr 3
eyer kees-
znw: *'eierkaas' 1.76
eyndelijngh- bw: 'rechtop' 1.73
eysdoier- znw: 'eidooier' 1.13
Zie ook doijer
-F-
foldij,
foldije, foldijen, folen- znw, specerij:
'foelie' 1.16, 1.17,
1.21, 1.23,
1.24, 1.25,
1.38, 1.43, 1.89,
1.91
frijten- ww: 'bakken of fruiten in vet' 1.20,
1.21, 1.22,
1.59, 1.67
wretse
fuijer- vier
fijolenblomen- znw, bloem: 'viooltjes' Viola
odorata. 1.4, 1.25, 1.74
-G-
g=gh
galentijn- znw, gerecht: Een saus met
vooral veel galanga. 1.24
galigaen,
galigan, galeghaen- znw, specerij: 'galangawortel',
'laos' Lijkt op gemberwortel. 1.24,
1.56,
1.91
ganseleijn, ganseleij, gansseleije- znw, gerecht: *
Oorspronkelijk
een saus bij gans, later ook bij ander vlees. 1.13,
1.37, 1.44
gansen loeck- gerecht: Naam van een saus
bij vers rundvlees. 1.42a
gansen smaut- znw, kookvet: 'ganzenvet' 1.42a
gaveren- znw, gerecht: * Naam van een saus
uit Gavere in Oost Vlaanderen (CI). 1.21
ghebacken-
znw: 'gebak', 'baksel' 1.69
ghebonden- bijnden
ghebootert-
boteren
ghebornt, gheborst, ghebort- bornen
ghebraet,
ghebrat- znw: 'gebraad' 1.33
Van vis: 1.66
ghebraiden, ghebraden- braden
ghebroken-
breken
gheclarden- claren
ghedijstellert-
dijstelleren
ghedroghde, gedroghde, ghedrucht,
ghedrocht- droghen
gheel, ghel- bnw: 'geel' 1.2,
1.12,
1.25
gheformde-
vormen
ghegate-
bnw: 'met gaten' 1.77
gheharst,
gheherst- hersten
geley, gheley, geleije, geleey- znw, gerecht: *
'heldere gelei', Vocht (hier wijn), gebonden met vislijm, arabische gom,
kalfsbeenderen of het klokhuis van kweeën.
1.25
ghelte-
znw, inhoudsmaat: Tussen de 2,34 (VH) en 3 liter (MNW,
Kiliaen). 1.89
ghemeijn- bnw: 'eenvoudig', 'alledaags' 1.30, 1.89
ghemenght, ghemenckt- menghen
ghenaten- corrupt: ghernaten
ghenber, ghenbaer, ghenbar,
ghembar, ghenbair- znw, specerij: 'gember' 1.10,
1.11, 1.12,
1.13, 1.14,
1.15, 1.20,
1.21, 1.22,
1.25, 1.26,
1.27, 1.28,
1.30, 1.33,
1.34, 1.35,
1.36, 1.38,
1.40, 1.41,
1.43, 1.46,
1.47, 1.53,
1.54, 1.58,
1.59,
1.60, 1.62,
1.64, 1.65,
1.66, 1.69, 1.72,
1.82, 1.83, 1.86,
1.87, 1.88,
1.89, 1.90,
1.91 wijtten ghenbars, wijten ghenbar- 'witte
gember' Gember van eerste kwaliteit.1.16, 1.23 ghenbars poyer,
ghenbarspoyers, ghenbars poders-
'fijngestampte gember' 1.16, 1.19,
1.39
gheneuer
besijghen (pl)- znw, kruid: 'jeneverbessen' 1.92
gheraps,
gheraspt- raspen
gheray-
bijw: 'snel', 'heftig' 1.86
ghernaten- znw, vrucht: 'granaatappel' koeren
van ghernaten- 'granaatappelpitjes' 1.16
gherockt-
* geraspt' Van brood. 1.66
gherost- rosten
ghesauten- sauten
gheschelt- schellen
ghescherden- corrupt gheschelden- schellen
ghesoden,
ghesoeden- sijeden
gesonde, gesont- bnw: 'gezond' 1.51,
1.55 ghsonsten-
'gezondst' 1.88
ghestampt- stampen
ghestofde-
stouen
ghestoten- stoten
gheuerde, gheuerut- verwen
gheueijckt, gheveyckt, ghewickt- weycken
gheuormde,
ghewoernde- vormen
gheuijlt-
vullen
ghewyt-
verschrijvi ng voor ghewyct, wycken
1.9
gome van araibien- znw: 'Arabische
gom' Vloeistof die uit inkepingen in de bast van de Acacia Senegal vloeit.
1.25
graeu- bnw: 'grijs' 1.6
greyn, greyne,
greynne- znw, specerij: 'paradijskorrels'
Ofwel
meleguetapeper, te vervangen door korianderzaad. 1.12,
1.15, 1.25,
1.26, 1.32,
1.33, 1.34,
1.35, 1.36,
1.38, 1.40,
1.41, 1.43,
1.46,
1.62, 1.65,
1.82
groen, gruen,
grien- bnw: 1.
'groen' 1.3,
1.11,
1.25,
1.78 2.
'vers' 1.55
grof- bnw:
'grof' 1.74
groffens
naghel, groffes naghel- znw, specerij: 'kruidnagel' 1.89,
1.90
ghijeten, ghieten, ghijten- ww: 'gieten' 1.16,
1.23,
1.47, 1.52,
1.54,
1.82, 1.88 Zie ook af
ghieten.
-H-
hael- znw: 'ketelhaak'
IJzeren haak
waaraan de kookketel boven het vuur hangt. 1.6
halse- znw:
'hals', 'nek' 1.60
hameleijn-
bnw: eigenlijk 'van een hamel (gecastreerd schaap)' sausse
hameleijn- zou naar analogie met ganseleijn kunnen betekenen
'saus bij hamelvlees'. Echter, GV VIII.8 (CI p.153) heeft hier "camerlijn", dat
een variant is van "camelijn": 'komijnsaus'. (zie comeneij)
Waarschijnlijk is KANTL Gent 15 hier dus corrupt 1.14
hamelvlees-
znw: 'schapenvlees van gecastreerde ram' 1.61
harse- znw,
vlees: 1. harst,
'braadstuk' 2. verschrijving voor
hase, 'haas' (GV VIII.1, CI p.152 heeft hier hase). Beide
betekenissen zijn mogelijk in 1.10
haverbesingen-
znw, vrucht: *'bosbessen' (wel in WNT) 1.7
herlijchsten-
bnw: 'heerlijkste' 1.88
hersten, harsten (gheharst)- ww: 'roosteren' 1.15,
1.38,
1.48
hoene, hone, honderen (pl), hoenderen (pl)- znw, gevogelte: 'kip' 1.16,
1.27, 1.33,
1.34, 1.41
spirinck vanden hoene-
'kippenborstfilet' Het witte vlees van de kip. 1.17
honderen- hoene
hondervles- znw, vlees: 'kippenvlees' 1.18
honderweet- znw: 'kippenvet' 1.60
honich,
honijch, homijch- znw: 'honing' 1.49,
1.82
huijsenblas, husen blas,
huijsen blat- znw: 'vislijm' Bindmiddel
(collageen), gemaakt van de gedroogde zwemblaas van steur, heek en kabeljauw.
1.25, 1.73
-I/J-
jauijn - juyn
ideleen-
bnw: 'leeg' 1.73
jespi- znw, gerecht: * Een saus bij gebraden
kippen, gebonden met eidooiers en kippelevers. CI p.64 wijst erop dat bij
VdN rec.nr 57 dit gerecht "jespi oft pappe" heet, wat erop
wijst dat dit een dikke saus moet zijn. Bij VdN is het gebruik van
kippelever facultatief. 1.34
jpencras- znw, drank: 'witte of rode gekruide en
gezoete wijn'
1.25, 1.88, 1.89,
1.90
jseren- 1.
bn:
'ijzeren' jseren schel 2.
znw: '(wafel)ijzer' ghetralden isere- Een
wafelijzer met een roostervormig motief? Als het een open rooster was zou het
beslag er doorheen lopen. Ik heb het voorlopig vertaald met "gedecoreerd
wafelijzer". De wafels uit het voorgaande recept worden waarschijnlijk in
de pan gebakken. 1.84
juyn, juijns, ajuijn
- znw, groente: 'ui' 1.20,
1.21, 1.22,
1.40
-K-
kanel- canel
karspet- znw: Soort brood, wit of bruin.
1.11
karstandijen
(pl)- znw, vrucht: '(tamme) kastanjes' 1.81
kauden- ww: 'afkoelen' 1.45,
1.53
kaut,
qaut, qauden- bnw: 'koud', 'afgekoeld' 1.14,
1.15, 1.23,
1.25, 1.45,
1.53, 1.73
kenel- canel
kernelhuijs,
kersel huijs, kerlhuys`, kersel- znw, deel ve vrucht: * 'klokhuis' 1.25,
1.64, 1.65, 1.79
kese- znw:
'kaas' 1.76, 1.77
ketel- znw,
keukengerei: 'ketel' 1.76
koeck, kocks-
znw: '(peper)koek' 1.59 gheraps
kocks- 'geraspte koek' Om een vulling te binden.
koellen-
ww: 'afkoelen' 1.76
koeren- koeren
van ghernaten
koerfken-
znw: 'mandje' 1.76
kolen
(pl)- znw, brandstof: 'kolen' 1.66, 1.67
kolen wier- 'kolenvuur' 1.76
komijn- znw, specerij: 'komijn' 1.15,
1.39, 1.45
kruymen, kruijme,
krommen- znw: 'broodkruim' 1.11,
1.23, 1.33,
1.60 'kruim van één brood' 1.27
-L-
lepel- znw, keukengerei: 'lepel' 1.83,
1.91
leuens water-
'brandewijn', 'vuurwater' 1.91 borende
water
leuer- znw, orgaanvlees: 'lever' leuer vanden honderen-
'kippenlevertjes' 1.34 leuer vanden
wijs- 'vissenlever' 1.60
locht- bnw:
'licht' Van smaak. 1.60, 1.86
loeck, loock- znw, kruid: 'knoflook' 1.29,
1.37, 1.42a,
1.42b, 1.44,
1.57
ghemeijn loeck- 'knoflook' 1.31
groen loeck- gerecht: Naam van een groene saus gemaakt met een
knoflookachtige plant. 1.31 wijt
loeck- scordeon Zie ook gansen
loeck.
loeckechtich- bnw: 'knoflookachtig' 1.31
loot, loet- znw, maat: 'lood' 1/32 pond
of 1/2 ons (VH): ong. 15 gram (1 eetlepel). 1.16,
1.25, 1.82,
1.87, 1.89,
1.90, 1.91
lummelen- znw, vlees: 'lumme' Het vlees bij
de onderbuik van het dier, waar nu doorregen lappen van gesneden worden. 1.26
luttel- bw: 'weinig', 'een beetje'
lijcht-
bnw: 'licht' Van structuur. 1.86
lijuaet-
znw: 'linnen doek' 1.74
-M-
macht- znw: 'kracht' (In humoraalpathologisch
opzicht?) 1.46
macksel- znw: 'vorm' 1.8
maddeleijn-
znw, kruid: 'marjolein' 1.58
maeghe-
znw: 'maag' 1.56
magher- bnw: 'niet vet', 'ontvet' 1.16,
1.18, 1.41,
1.42b
mandelboter-
(a)mandelboter
mandellen-
amandellen 1.9
manieren- znw: 'verschijningsvormen', 'soorten'
1.9
n: 'kinds', 'varieties' 1.9
marieren- verschrijving voor manieren
1.9
error in writing for manieren 1.9
mastijck
gommy- znw, plantaardig: 'gom van de
mastiekboom' 1.56
n: 'gum of the mastic tree' 1.56
meersvijn, mersvijn- znw, zoogdier: 'bruinvis'
1.46
n, mammal: 'porpoise'1.46
meght- menghen
mel- spans
mel
melsucar- sucar
menghen,
menghghen, meghghen, meghen (ghemenght, ghemenckt)- ww: 'vermengen' 1.15,
1.32, 1.46,
1.58,
1.61, 1.66, 1.72, 1.73,
1.77, 1.84
vb: 'to temper', 'to mix' 1.15,
1.32, 1.46,
1.58, 1.61,
1.66, 1.72, 1.73,
1.77, 1.84
mente- znw, tuinkruid: 'munt' 1.48,
1.51, 1.56
merch- znw, vlees: 'merg' 1.21,
1.22
mort
troeyt (morttroeyen?)- ww: 'klonterig bakken' 1.86
moeskumken-
znw: *'papkommetje' 1.73
molck, molc- znw: 'melk' 1.42a sueten
molck, veers suets molcks- 'verse melk' 1.23, 1.76
mont-
znw: Eigenlijk 'mond', hier 'smaak' 1.87
morbesingen- znw, vrucht: 'moerbeibessen' 1.7
mortijr, mortier,
mortijer- znw, keukengerei:
'vijzel' 1.42a, 1.42b,
1.64, 1.65,
1.70, 1.77
moru,
moruue, mur, muruen- bnw: 'week', 'zacht', 'gaar' 1.22,
1.23, 1.42a,
1.66, 1.74, 1.80,
1.82, 1.86
mosters, mostaris- znw: 'mosterd' 1.32,
1.52
mur, muruen- moru
muskeraet-
znw, specerij: 'muskus' (WNT "muskeljaat") 1.88
musse- znw:
*'papkommetje' Vglk. moeskumken. 1.85
mijsererij
mey deus- Tijdsduur-aanduiding: 'Ontferm U over mij, God' De eerste
woorden van zowel Psalm 50, 55 als 56 (volgens de nummering in de Vulgaattekst).
Psalm 50 speelt een belangrijke rol in de liturgie en is vaak op muziek gezet.
Als ik de Latijnse tekst rustig hardop lees doe ik er twee-en-een-halve minuut
over. Het recept zal wel een uitgebreider uitvoering van het Miserere in
gedachten hebben, want in zo korte tijd worden kweeën niet gaar. 1.82
-N-
naghel, naghelen (pl),
naghelle (pl)- znw, specerij:
'kruidnagels' 1.21, 1.24,
1.34, 1.38,
1.41, 1.43,
1.46,
1.82, 1.91
groffens naghel
nat, nate, naehte,
naets- znw, vloeistof: 'kookvocht' 1.16,
1.18, 1.27,
1.53, 1.80
nat,
naet- bnw: 'nat', 'vochtig' 1.36,
1.70
negheen- telw: 'geen' 1.25
noet- bw: 'nodig', 'noodzakelijk' 1.23
not, noten- znw: 'noot',
Hazelnoot of walnoot.
1.1
not beschaten,
noten beschaten- znw, specerij:
'nootmuskaat' 1.24,
1.90, 1.91
notbosten- znw: 'notendop', 'bolster' 1.1
nwelen
(pl)- znw: 'oublies' Dunne wafeltjes. 1.85
-O-
och- vw: 'of' 1.9
oels blomen- znw, deel ve plant:
'papaverbloemen' 1.8
okernoten
(pl)- znw: 'walnoten' 1.65, 1.78
olye,
olije- znw:
'(spijs)olie' 1.59, 1.64,
1.70 rap olije- 'raapolie' 1.70
omers- bijw:
'vooral' In MNW bij "immers". 1.86
omme rueren- ww: 'omroeren', 'doorroeren' 1.41
ongheronnen- bnw: *'ongestold'
Van
eiwit. 1.71
onghesauter-
bnw: 'ongezouten' 1.77
ongheschelden-
bnw: 'ongeschilde' 1.79
ons, onse-
znw, maat: 'ons' Dit was 1/16 deel van een pont, dus bijna 27 gram (VH).
1.82, 1.88, 1.89
onstucken- bnw: 'aan stukken'
1.25,
1.65, 1.73
ontwe, onttve, onttue- bw: 'in kleine stukken', 'fijn' 1.16,
1.18, 1.27,
1.34, 1.41,
1.62
op rijchten- ww: 'opdienen' 1.27,
1.31, 1.42a, 1.75
op sieden- ww: 'opkoken' 1.14,
1.20, 1.25,
1.43
ouen- znw:
'oven' 1.61, 1.63,
1.64
ouer sproyen-
ww: 'besprenkelen' 1.79
ouer stroyen-
ww: 'besprenkelen' 1.75
-P-
paesschen- znw: 'Pasen' 1.35
pannen,
panne- znw, keukengerei: 'pan', 'braadpan' 1.19,
1.61, 1.66
pappen- ww: * 'kleven' 1.9
peeckel- znw, gerecht: * 'mosterdsaus' Het MNW
geeft alleen de gebruikelijke betekenis (zout nat). Uit GV VIII.63 (CI p.169), waar 3
"pekel"recepten achter elkaar staan die alleen het ingrediënt
"mosterd" gemeenschappelijk hebben, valt de betekenis
"mosterdsaus" af te leiden 1.32
pelmeye- znw, gerecht: * 'appelmoes' 1.32
peper- znw 1.
specerij: 'zwarte peper' In korrels of gemalen. 1.29,
1.48, 1.51,
1.57,
1.62
1.87, 1.90
2. gerecht: 'pepersaus' Een
meestal donkere, goed gekruide saus voor in de winter. 1.24,
1.38 (bij gezouten wildbraad), 1.46
(bij bruinvis) peperpoder- 'fijngestampte
peper' 1.49
pepercock-
znw: 'peperkoek' 1.64
peper cruijt-
znw, kruid: Wordt voor verschillende kruiden gebruikt, volgens MNW:
'peperkers (Lepidium latifolium)', 'bonenkruid (Satureja hortensis),
'mierikswortel (Cochlearia armoracia)' Het WNT heeft ook nog
'waterkers (Polygonum hydropiper)' 1.58
peren (pl)-
znw, fruit: 'peren' 1.78, 1.80
persse- bnw: 'paars' 1.7
peterselij, peterselije, petercelije- znw, kruid: 'peterselie 1.11,
1.29, 1.42b,
1.48, 1.55,
1.57, 1.58,
1.78
peterselijsop, peterselij schop- lett.
'peterseliesap' Het
vocht van fijngestampte peterselie. 1.3,
1.25
poeder, poider, poyer, poder- znw: 'poeder' 1.14,
1.15, 1.26,
1.32 ,
1.91 'fijngestampte specerijen' 1.18,
1.91
pont- znw, maat: 'pond' 430 gram (Gents pond, VH)
1.16 , 1.74,
1.90
Zie ook virdelpont.
pot- znw 1.
keukengerei: 'kookpot van aardewerk, steen of metaal' 1.26,
1.40, 1.41, 1.73, 1.76, 1.79, 1.88,
1.90
- nven erden pot- 'nieuwe aardewerken pot' 1.16,
1.53 2.
maat: Gelijk aan een "quart", dus 1,17 liter.
1.25
poterie- znw: * 'tuinkruiden'
Braekman
volgt de verklaring van Cockx Indestege bij GV VIII 85: 'Poitier' (CI
p.173). Zij verwijst naar de
uitgave van Le Viandier (Pichon/Vicaire), maar "saulce poitevine" is
een geheel andere saus. Bij GV heet dit recept : 'Om sause van potiers te
maken'.
1.48
pot sucar- sucar
present-
znw: *Naam van een kaas, gemaakt met melk en eieren. 1.77
puluer, poder, poeder,
poeyder- znw: 'poeder' 1.25,
1.26, 1.46,
1.82
pur- pur roet
purey- znw: 'puree' 1.40
pijnte- znw, maat: 'pint' 0,586 liter (VH)
1.16
pijpcanel-
znw, specerij: 'pijpkaneel' 1.88
-Q-
quart- znw, maat:
Volgens MNW twee
pinten, dat is 1,17 liter. 1.25
qauden,
qaut- kaut
queappelen (pl),
queen (pl), queyen (pl)- znw, fruit: 'kweeën' 1.25, 1.79,
1.82
quetsen- ww: 'vermorzelen'
In de vijzel.
1.25
-R-
raspen,
gheraspt- ww:
'raspen' , 1.59, 1.72,
1.83, 1.84
rasschoen- znw: *
+ 'pannekoek' Van het franse "raston". Deze term kan
verschillende gerechten aanduiden, van een eierpannekoek met gistdeeg (JSvW
181) tot kaaskoekjes (CI 63). 1.66
rauen- ru
reijgheren (pl), reijghers (pl)- znw, gevogelte: 'reigers' 1.28,
1.35
reijn-
bnw: 'schoon' 1.91
roesblader- znw, deel ve plant:
'rozenblaadjes' 1.8
roest-
znw, vlees: 'gebraad' 1.33
, 1.40
roesvater,
roes water-
znw: 'rozenwater' 1.79
1.91, 1.92
roesijne- rosijnen
roet-
1. znw: 'roet', 'smeer', roets van dalen:
'roet van de ketelhaak' (GV VII, CI p.151 heeft hier root sandall, 'rood
sandelhout', maar dit levert geen grijze kleur op) 1.6 2.
bnw: root 1.21, 1.88
roffioelen
(pl), roffiolen (pl)- znw: 'pasteijes' 1.61, 1.62,
1.65
rogen brot-
znw: 'roggebrood' 1.70
roghblomen- znw, bloem: 'roggebloemen'
Ook
wel korenbloemen genoemd. 1.4, 1.25
roghen-
znw, ve vis: 'viskuit' 1.70
romen- znw, zuivel: 'room' sueten
romen- 'verse room' 1.19, 1.37,
1.84
root, roet, roy, roder, roden- bnw: 'rood' 1.5,
1.8, 1.88 'bruin'
Van het roosteren. 1.14,
1.21,
1.38, 1.40
pur roet- 'purperrood'
1.25
rop- znw:
'vissenmaag' 1.60
rosemarijn,
roesermerijn - znw, tuinkruid: 'rozemarijn' 1.50,
1.58
rost-
roest
rostel- znw, keukengerei: 'rooster' 1.14,
1.20,
1.60
rosten (gherost)- ww: 'roosteren'
1.21,
1.50, 1.54
rosijnen (pl),
roesijne (pl), rosiin (pl)- znw, fruit: 'druiven',
'gedroogde druiven', 'rozijnen' 1.26,
1.59, 1.60, 1.76
rovirvijs- znw: 'riviervis' 1.45
ru, ruen, ruuen,
rouuen, rauen- bnw: 'rauw' 1.18,
1.33,
1.63, 1.66,
1.71,
1.84, 1.85
rueren- ww:
'roeren' 1.86
ruert
... omme- omme rueren (1.41)
runderen (pl)- znw, dier: 'runderen' 1.26
runsvet-
znw: 'rundervet' 1.61
runt- bnw:
'rond' 1.64
runtvlees- znw, vlees: 'rundvlees' 1.42a
rijchten- ww: 'opdienen' Zie oprijchten.
1.53
rijs- znw:
'rijst' 1.74
-S-
sack- clareyt sack
saeft- znw: 'sap' of bw: 'zacht' ? 1.11
safferaens-sofferaen
saneij- znw, gerecht: Naam van gerecht van
gesmoord vlees met rozijnen. 1.26
sap- znw: 'vocht', 'sap'
1.6,
1.47
sausier,
sausijer- znw, keuken/tafelgerei: 'sauskom', *
'diepe schotel', 1.23,
1.64, 1.74
sausse, sause, saus, saussen (pl)- znw: 'saus'
passim 1.56 : 'medicinaal drankje'
saut, sout- znw: 'zout' 1.29,
1.42b, 1.43,
1.57,
1.61, 1.73, 1.86
sauten (ghesauten)- ww: 'zouten', 'pekelen' 1.38
sauije, sauie, sauye- znw, kruid: 'salie' 1.29,
1.47,
1.48, 1.57
sauons- 'in de avond' 1.34
scabijoes
water- znw: 'aftreksel van Scabiosa' Scabiosa wordt in het HD
ook wel 'hazenoor'genoemd, naar de vorm van de bladeren. 1.91
schalle-
znw: 'schaal' 1.80
schel,
schellen (pl)- znw: 1. * 'deksel' jseren schel- 'ijzeren deksel' Met
opstaande randen, op het deksel kunnen gloeiende kolen worden gelegd. 1.66,
1.67 2.
'schil' Van een vrucht. 1.80
schellen- ww: 'schillen', 'pellen' 1.16,
1.20, 1.22,
1.23, 1.27,
1.53,
1.64, 1.65,
1.66, 1.80,
1.81, 1.82
schelpe,
scholpen, schulpen- znw: 'schelp' 1.69
scholpen van sunte jacops-
'Jacobsschelpen' 1.69
scherbir- znw, drank: 'licht bier' 1.40
scheruen-
ww: 'fijn snijden' 1.66
scordeon- znw, kruid: 'allium vineale' ofwel
'kraailook' GV VIII.49 (CI
p.166) is niet zeker wat voor kruid
er wordt bedoeld, hij denkt aan "looc sonder loock". Dat is een ander
kruid, "alliaria petiolata" ofwel look-zonder-look 1.31
scorinck blader- znw: * Onbekend
kruid, te gebruiken als vervanging voor zuring in een recept voor verjus. In GV
XVI.22 (CI p.228) wordt het niet genoemd. 1.55
schotel, scotel, schotelen,
schotellen , scotelen- znw, tafelgerei: 'dienschaal' 1.19,
1.23, 1.33,
1.52, 1.53,
1.69, 1.74, 1.80,
1.81, 1.86 houten
schotellen- 'houten schotel'
1.68
schuijmen,
gheschuymt- ww: 'afschuimen'
1.25, 1.46,
1.82
schijven (pl)-
znw: 'schijven' 1.87
seghelleck-
bw: *'zachtjes' 1.75
sermijn, stromijn, stromijs, tsarmijn- znw, keukengerei:
'zeef', 'zeefdoek' (passim)
siet heet,
sie heet, sie het- sijden heet
slaen,
gheslagen- ww: * 'opkloppen' Van eieren. 1.24, 1.71
slat ... doer, slaet ... dore- doerslaen
slecht-
bnw: 'eenvoudig' 1.90
sloster- znw: 'notendop', 'bolster' 1.1
smack- znw: 'smaak' 1.21, 1.86
smaut- znw, kookvet: 'dierlijk en plantaardig vet of olie'
1.19, 1.40,
1.78
Zie ook gansen smaut. eyer
smaut- * + 'omelet'
1.67
smelten,
smouten (ghesmouten)-
ww: 'smelten' 1.63, 1.73 *'tot
moes koken' Van appels. 1.86
smerechtich-
bnw: 'vettig' 1.59
smere- znw, kookvet: 'dierlijk vet', 'spekvet' 1.20
smeren- ww:
'smeren' 1.74
smoren- ww: 'smoren' Stoven met weinig vocht in
een afgesloten pot op laag vuur. 1.26
smouten-
smelten
snede- znw:
'snede' Van brood. 1.70
snoken-
znw, zoetwatervis: 'snoek' 1.70
soemer, soemers- znw: 'zomer' 1.55
soemerwulsel-
znw: 'vulling in de zomertijd' 1.58
soepe - znw:
1. 'kookvocht' 1.36
2. zie sap 1.47
magher s(c)op- 'ontvette bouillon' 1.41,
1.42b
sofferaen, sofraen, safferaen,
sofferanis- znw: 'saffraan' 1.2,
1.12, 1.15,
1.18, 1.25,
1.33, 1.34,
1.35, 1.36,
1.37, 1.38,
1.39, 1.41,
1.44, 1.45,
1.46, 1.53,
1.59,
1.60, 1.62,
1.63, 1.64,
1.65, 1.72, 1.73, 1.74, 1.75, 1.88 sofferaen
poyer- 'saffraanpoeder' 1.66
soppen (pl)-
znw: 'stukjes brood, bestemd om te dopen in bijvoorbeeld soep of melk' 1.67
sorbelet- znw, naam ve gerecht: Uit GV
VIII.77 (CI p.172) blijkt dat "sorbolet" een zomersaus is (en
"peper" een saus voor in de winter). 1.41
sout- saut
soutte- bnw: 'zout', 'gepekeld' 1.39
span- znw,
lengtemaat: 'span' De afstand tussen duim en pink van een uitgestrekte hand, +
20 centimeter. 1.66
spans mel-
Braekman verklaart "mel" als *'honing', dus: 'honing uit
Spanje'. GV XVI.7leest hier "spaens soet". 1.90
speck- znw,
vlees: 'spek' 1.21
spirinck-
spirinck vanden hoene
spuellen-
ww: 'spoelen' 1.88
spijse- *
'vullingz' 1.61, 1.62,
1.65, 1.73
stampen- ww: 'fijnstampen' In de vijzel. 1.33,
1.35, 1.36,
1.37, 1.39,
1.42b
steen
stenen(pl)- znw,
deel ve vrucht: 'pit' 1.60, 1.82
stelle-
znw, deel ve vrucht: 'steel' 1.80
stoet- stoten
stoffe,
stof-
znw: * 'mengsel', 'spul' Kan vulling of beslag zijn. 1.63, 1.64,
1.66, 1.68,
1.69, 1.70, 1.85
stofferaen- sofferaen
storten-
ww: 'gieten' 1.88
stoten- ww: 'fijnstampen'
(passim)
stouen
(ghestoft, ghestofde)- ww: 'stoven' 1.36, 1.80
stromijn- sermijn
stroyen (stroter)- ww: 'strooien' 1.52,
1.81, 1.86
stucken, stuckken
(pl)- znw: 'stukken' 1.22,
1.25, 1.33,
1.82
dunen stucken-
'dunne schijfjes' 1.20, 1.21
struijuen, struijfken
(verkl./dim.)- znw: 'eierkoek', 'omelet' 1.66
ghecrolden struijuen, ghecrolden struiuen-
Lett. 'gekrulde omelet', dus: 'roerei' 1.68,
1.70
stijf- bnw:
* 'krokant' 1.64
stijuen-
ww: 'opstijven' 1.86
su(...)- sw(...)
sucar, sucars- znw, specerij: 'suiker'
(passim) sucar verkert- 'tot draden getrokken suiker'?
verkert 1.17 brot sucar- znw: 'broodsuiker'
Suiker die
in kegels of blokken was geperst en voor gebruik geraspt of fijngestampt werd.
1.16, 1.17
ghelopen sucar- 'gesmolten suiker' 1.38,
1.40, 1.41
mel sucars, melsucar-
'poedersuiker' 1.24, 1.61, 1.75,
1.83, 1.90
pot sucars,
pot sucar-
'poedersuiker' 1.24, 1.54,
1.61, 1.65,
1.83, 1.89 wijt
sucar, wijtten sucar, vijt sucar- 'witte suiker' 1.45, 1.73, 1.74, 1.77, 1.85
sucareij, sucareen- znw, gerecht: * Naam
van een schotel met zwijnenvlees, met amandelen en melk gebonden (een
ondoorzichtige gelei of soort hartige bavaroise). 1.23
suer- bnw: 'zuur' 1.11
suerkel- znw, kruid: 'zuring' 1.11,
1.55 surkelblader-
znw: 'zuringbladeren' 1.55
suete,
suet- bnw: 1. 'vers' 1.19,
1.23, 1.37,
1.70, 1.76,
1.84
2. 'zoet' 1.76
sukeren-
ww: *'bestrooien met suiker' 1.80
sult, sulte- znw, vlees: 'zult', 'hoofdkaas'
Gepekeld
gelatineus vlees van de kop van het varken, rund of schaap. 1.33,
1.47
sulten- ww:
*'conserveren' Door koken in honing of drogen en bewaren in honing en
ingekookt kooknat. Eigenlijk: 'inmaken in azijn (en eventueel pekel)' 1.82
sunter baefs- 'van Sint Bavo'
Zie baef.
surkel- suerkel
svellen-
ww: 'koken' 1.62
svijnen smaut- svijnen
smaut
swaen- znw, gevogelte: 'zwaan' 1.10 svaen
halsse- 'zwanenhals'
1.60
swijne (pl)- znw, dier: 'varkens' 1.43
svijnen smaut- 'varkensvet', 'reuzel' 1.69
swaert, suaert- bnw: 'zwart' 1.1
sijeden, sieden, syeden, sijden (ghesoden)- ww: 'koken'
(passim)
sijden heet, siet heet- bnw: 'kokend heet' 1.15, 1.25,
1.69, 1.70
-T-
tafel, taffellen, tafelleen- znw: 'tafel'1.14,
1.42a
tart- znw,
gerecht: 'taart' 1.87
teyl, teylle- znw: 'pot', 'pan' of
'schotel' van aardewerk.
1.53
tergijn- znw, specerij: 'gesuikerde specerijen',
'dragees' Zoals onze
rose en witte muisjes (JSvW) Deze werden ook wel afzonderlijk opgediend
na de maaltijd, samen met gekruide wijn (JSMW) gheuerde tergijn-
'gekleurde gesuikerde specerijen' 1.16
teruen-
znw: 'tarwe' teruen blomen
toet- Contractie van "toe doet"
tornoysel, tornosijl, ternoisen, tornosols,
ternoysche, ternoisel, ternoyssel- znw, kleurstof: 'tournesol'
Een
blauwpaarse kleurstof, die gemaakt werd van diverse planten, zoals de
chrozophora tinctoria, maar ook van het sap van blauwe bessen of moerbessen,
waarin een linnen doek diverse malen werd geweekt (zie "Eenen nieuwen
Coc-boeck" van C.Battus uit 1593). 1.5,
1.14, 1.25,
1.54, 1.88, 1.89
tranken-
znw, verkleinwoord: 'druppeltje' Van 'traan' 1.74
trechterken-
znw, keukengerei: 'trechtertje' 1.71
tremolette- znw, gerecht: * Naam van een
saus, die ook bij Le Viandier en Carolus Batus wordt gebruikt voor een saus bij
patrijzen (CI). 1.22
tsarmijn- sermijn
tvedel,
tve
delen-
znw: 'tweederde' 1.61, 1.79, 1.80, 1.85
-U-
uijt-
wijt (2.)
-V-
vael- wel
vasten, wasten,
vastene- znw: 'vastentijd' Vooral de veertig
dagen vanaf Aswoensdag tot Pasen, maar ook de woensdagen, vrijdagen en
zaterdagen in de Quatertemperweken: perioden waarin het eten van vlees en
dierlijke producten en zuivel was verboden. Tijdens "normale" weken
was op -meestal- woensdagen, vrijdagen en zaterdagen vlees verboden, maar zuivel
was wel toegestaan (JSvW). 1.16,
1.45, 1.54,
1.59,
1.60, 1.61,
1.63, 1.64,
1.65, 1.70
vat- onbep.telw. 'wat'
vaut- Verschrijving voor 'water' 1.74
Eigenlijk znw:
'gewelf'
veers- verssen
vel- wel
velthoenderen (pl),
welthonderen (pl)- znw, gevogelte: 'patrijzen'
Maar ook: 'fazanten' 1.22,
1.39
venisoen, wenijssoen, wennessoen- znw,
vlees: 'wildbraad'
1.53
venkel, wenkel-
znw, kruid: 'venkel' 1.82 venkel saet-
'venkelzaad' 1.82
verckenen (pl)- znw, dier: 'varkens' 1.26
verckenvlees,
werken wlees- znw, vlees: 'varkensvlees' 1.39,
1.62
verjuijs, veriuijs, verjuijsen, verguijs, verjuis- znw: 'verjus' Sap van zure, onrijpe
druiven of andere onrijpe vruchten (zoals appels). 1.38, 1.40,
1.42a, 1.42b,
1.55
verkert- sucar verkert
('tot draden getrokken suiker' ?) 1.17
CI denkt echter aan 'dwars'?: "strooi er foelie en suiker dwars
overheen" (GV VIII.15, CI p.155).versamet (ms:
vercampt)- 'verzamel' 1.74
versieden-
ww: 'verkoken', 'inkoken' 1.82
verssen,
veers, worse, worsser, vorsser- bnw: 'vers' 1.27,
1.42a,
1.76, 1.77, 1.80
verwen,
weruen- ww: 'verven', 'kleuren' 1.2,
1.14, 1.15,
1.16, 1.25,
1.54,
1.61, 1.63,
1.64, 1.65, 1.72, 1.73, 1.74,
1.88, 1.90
vier, wier, wure, wijr,
wiire, viere, fuijer,
wijer- znw: 'vuur' Het open vuur waarboven en
-voor werd gekookt. 1.10, 1.13,
1.22, 1.24,
1.25, 1.44,
1.45,
1.70, 1.73, 1.76, 1.80
virdelloet,
virdendelloets- znw, maat: 'een kwart "lood"' Aangezien
een lood 15 gram is, is een kwart lood 3,75 gram. Zeg
maar tweederde moderne theelepel. 1.87, 1.89
virdelpont,
virdelpons- znw, maat: 'kwart pond' ofwel
107,5 gram (zie pont) 1.23, 1.74,
1.91
drie wirdelpons- 'driekwart pond' ofwel 322,5 gram 1.74, 1.89
virendel,
virdendel-
znw: 'vierde deel', 'een kwart' 1.61, 1.85
virdendelloets- virdelloet
virssen- bnw: 'vers' Van vlees: niet
gezouten, gedroogd of gerookt. 1.36
visch,
wijs- znw, dier: 'vis' 1.44, 1.60,
1.63, 1.64
vleessche- znw: 'vlees' 1.42a
vlessop- znw, vloeistof: 'vleesnat' 1.10
voerseyt-
lett: 'voorzegd', 'hiervoor
beschreven'
voir, vore-
vz: 'in plaats van' 1.59, 1.60
vore- bw: 'tevoren' 1.22
vormen- ww:
'vormen' 1.63, 1.64
vorsser- verssen
vullen
(wijlt)- ww:
'vullen' 1.63, 1.71, 1.73
vulsel-
znw: 'vulling' 1.59
vijt- wijt
1.
-W-
wael- wel
wafellen,
waffelen (pl)- znw: 'wafels' Een luchtig, plat gebak. 1.83,
1.84
walberen- znw, vrucht: * 'bosbessen',
'moerbessen' (wel in WNT) 1.7, walberen
dat sijn haverbesingen
wassen- ww: 'groeien' 1.8
wasten- vasten
wat-
znw: 'vat' 1.91
water- znw: 'water' 1.46,
1.53, 1.73, 1.76, 1.79, 1.80,
1.82, 1.83, 1.85,
1.92
weegh- znw: 'wigvormig tarwebrood' 1.12
weet, weets- znw, kookvet: 'vet' 1.20,
1.35 weet
vander soepe- Het vet dat op het afgekoelde kookvocht drijft. 1.36
honderweet- 'kippenvet' 1.60
weet van sueter romen- 'vet van verse room' Room is het vet dat op
verse melk drijft. Ik neem aan dat het "vet van verse room" nog méér
vet bevat dan room, misschien van de verse room nog eens afromen? 1.84
weet-
bnw: 'vet' 1.62
wel, vel, weel, vael, wael- bw: 'goed', 'grondig'
welle- znw:
'vel', 'huid' 1.60
welthonderen- velthoenderen
wenkel- zie
venkel
wenkel
tart, wenkl tart- znw, gerecht: 'venkeltaart' 1.87
werken wlees-
vercken vlees
werkens-
'van een varken' 1.71
werven,
weruen, werf- verwen
weycken, weyken, wycken, ghweyckt, ghewickt- ww: 'weken'
1.9,
1.12, 1.13,
1.24, 1.27,
1.38, 1.41,
1.42a, 1.42b,
1.54
wier,
wiire- vier
wirdelpons-
virdelpont
wirendel-
virendel
wles(...)- vles(...)
wogh, weegh- znw: 'tarwebrood' 1.10,
1.20
wolle, woel, wole, woelle, woller- bnw:
'veel'
wool- bnw:
'vol' 1.91
wore- vore
[worme], wormen
(pl)- znw: 'gestalte', 'vorm' 1.78
worse,
worsser- verssen
wretse-
'fruit ze' Van "friten" = bakken? GV xiv.15 heeft
"frijtse". 1.66
wronghel-
znw: 'wrongel' 1.76
wrijften-
'wrijft het' 1.70
wure-
znw: 1.
vier 'vuur'1.22 regel 82.
'uur' , 1.22 regel 12
wijer- znw: 1.
'uur' 1.63 2.
vier 'vuur'
wijlle, wijlen- znw: 'poos', 'tijd', 'uur' 1.10,
1.18, 1.21
wijlt- vullen
wijltbraet, wijltbrat- znw, vlees:
'wildbraad' 1.36, 1.38
wijn, wijne- znw, vloeistof: 'wijn' (passim) roden wijn,
roets wijns-
'rode wijn' 1.14, 1.20,
1.21, 1.25,
1.54
wijt wijn- 'witte wijn' 1.25
soet wijtten wijns- 'zoete witte wijn' 1.74 sueter
wijn- 'sweet wine' 1.85 wijn exs, wijneck- 'wijnazijn'
1.43, 1.55,
1.56
wijngart krammen- znw: * 'wingerd
ranken' (Zie CI bij GV XVI.22, p.228) 1.55
wijngheren
(pl)- znw: 'vingers' 1.64
wijngher gat-
znw: 'vingergat' ?Een gat ter dikte van een vinger in de rand van een schotel om
deze vast te kunnen houden? 1.68
wijnter- znw, seizoen: 'winter' 1.8,
1.37
wijr- vier
wijrick-
znw: 'wierook' 1.56
wijs-
visch
wijsdach-
znw: 'visdag' Een dag waarop men geen vlees, maar wel vis en zuivelproducten
mocht eten. Zie vasten. 1.66,
1.67
wijsel- znw, kookgerei: 'vijzel' 1.25
wijt
1. wijt, wijtten,
vijt-
bnw: 'wit' 2. wijt, uijt-
bw/vz: 'uit' 1.64
mackse
wijt- 'maak het af' 1.34 3.
wijt, wijtte, wijtten wytte- znw: 'wit' van een ei 1.71, 1.73, 1.76, 1.86
ruuen wytte- 'rauw eiwit' 1.71
wijt loken-
ww: 'uitlekken' 1.76
wijt sparen
(wijt ghesparden)- ww: 'uitspreiden' 1.74
wijtter- 'uit de' 1.52
-Y/IJ-
-Z-
zewair- znw, specerij: 'zedoarwortel' Een aan galanga
(laos) verwante plant, smaak lijkt op die van gember. 1.50
|
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S/Z
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S/Z
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
A
B
C
D
E
F
G
H
I/J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y/IJ
Z
|