|
Inleidende teksten, bewerkingen en foto's van gerechten zijn eigendom van Coquinaria en mogen niet zonder toestemming en bronvermelding worden overgenomen.
Glossary to the diplomatic edition of
ms KANTL Gent 15, vol.2. Glossary to the diplomatic edition of the second volume of ms. KANTL Gent 15. The order of the entries is different from the usual
alphabetical order:
When this glossary is finished, it will be split up in a Middle Dutch - English
glossary, and a Middle Dutch - Modern Dutch glossary. This is why the links to
recipes appear twice. A B C D E F G H I/J K L M N O P Q R S T U V W X Y/IJ Z Glossarium bij de diplomatische editie van
ms KANTL Gent 15, deel 2. Glossarium bij de diplomatische editie van "Wel ende edelike spijse", ms. KANTL Gent 15. De rangschikking van de trefwoorden verschilt van de gangbare
alfabetische rangschikking:
Na voltooiing van dit glossarium zal het worden opgesplitst in een
Middelnederlands - Modern Nederlands glossarium, en een Middelnederlands -
Engels glossarium. Daarom verschijnen de links naar de recepten twee maal. A B C D E F G H I/J K L M N O P Q R S T U V W X Y/IJ Z achtendeel- znw, maat: 'het achtse deel van
een pond' Ofwel 57 gram. 2.15 aemsdonk, amedonck- znw: 'zetmeel' 2.3,
2.57 aen bernen, bernen- ww: 'aanbranden' 2.21 afdoen- ww: 'afmaken' 2.39 agnyen (pl)- znw: 'uien' ? 2.29
Zie ayiuyn amandelen (pl), mandelen- znw: 'amandelen' 2.8,
2.17, 2.37,
2.38, 2.45,
2.57, 2.64,
2.66 ongescelde amandelen- 'ongepelde
amandelen' 2.3 geschelde
amandelen, gescelde amandelen- 'gepelde amandelen' 2.14,
2.51, 2.53 amandelmelck, mandel melck, mandelen
melck- znw: 'amandelmelk' 2.3,
2.14,
2.47, 2.51,
2.54, 2.56a,
2.85,
2.95 amper- bnw: 'zuur'
2.93 appel (pl), appelen (pl)-
1. znw, vrucht: 'appels' 2.6,
2.42a, 2.46,
2.47, 2.55, 2.76, 2.77,
2.93,
2.100 gestooten appel-
'fijngestampte appel' 2.48,
2.48a spijsappel-
'kookappel' 2.74
2.
znw, vrucht: 'kwee' 2.72 appel taert- znw, gerecht: 'appeltaart' 2.5 ayiuyn- znw: 'ui'
2.48, 2.65,
2.88 azyne- znw:
'azijn' 2.1,
2.94 backen, gebacken- ww: 'bakken' 2.77,
2.83, 2.84,
2.100 In de oven.
2.11, 2.54,
2.55, 2.63,
2.64, 2.76 ; In een wafelijzer 2.22
In een koekepan 2.37,
2.90
baers, barse- znw, riviervis: * 'baars' 2.8,
2.95,
2.96
balgen (pl)- znw, deel ve plant:
'schil', 'vel' 2.71 bant, bans- znw: *'bindmiddel' Maar welk bindmiddel?
2.16, 2.17,
2.21 becken- znw: 'wijde, ondiepe kom' 2.28 beete- znw, plant: 'biet' 2.25,
2.33 bereiden- ww: 'bereiden' 2.1 bernen- ww: 'aanbranden' 2.21 berren, gebert- ww:
1. 'aanbranden' 2.
'roosteren', 'fruiten' 2.92 besie, besy, besingen (pl)- znw, fruit: 'bessen', 'druiven'
2.19.
eertbesyen- 'aardbeien' De kleine
Europese bosaardbeien. 2.78
euerbesien- 'vossebessen' Vaccinium vitis-idaea. 2.78 sint Jans besy,
Zint Ians beren- 'rode bessen', 'aalbessen' Ribes rubrum (WNT) 2.24, 2.78 beslaen- ww: 'kneden'
2.83 blaeder (pl)- znw, deel ve plant:
'bladeren' 2.5 blammelgier, blammengier- znw, gerecht: 'blancmanger' Een
witgekleurd gerecht van almandelmelk en/of rijst. 2.42
bestaat enkel uit de titel van het recept.
2.66 bloem- 1.
znw, deel ve plant: 'bloem', 'bloesem' In "bloemen van vlier". 2.13
2. znw: 'bloei' In
"heuren besten bloem". 2.13
3. znw: '(tarwe)bloem' 2.22,
2.33 bloem van terwen, terwen
bloemen-
'tarwebloem' 2.73, 2.78,
2.82 bloemen, bloem van muscaten, bloemen van
bescaten- zie
muscatenbloemen bloet- znw: 'bloed'
2.12 bolck- znw, vis: 'bolk' (soort schelvis, Gadus
luscus) 2.35 borne, borre- znw: 'bronwater', 'drinkwater' 2.1,
2.26, 2.37,
2.91,
2.97, 2.98
boter, booter- znw: 'boter' 2.1,
2.42a, 2.65, 2.75, 2.77,
2.80,
2.82, 2.86,
2.88, 2.89a,
2.90, 2.93,
2.99 suete boter- 'verse, ongezouten boter' 2.11,
2.22, 2.33 bouwen- ww: 'kneden' 2.33 braden (gebraden, gebraeden)- ww: 'braden'
In alle betekenissen: in een pan, roosteren aan het spit of op een rooster.
2.1, 2.4,
2.34, 2.37,
2.38, 2.41,
2.45 branden, gebrant- ww: * 'roosteren' Van
brood. 2.36, 2.40,
2.56 breken (breect, gebroken)- ww: 'uit elkaar
vallen' 2.91,
2.92, 2.93
; ontwe
breken brijcseren- ww: Braekman denkt aan een vorm van het ww 'briselen' (MNW) en vertaalt het met 'pletten, verpulveren'. brijsse-
Braekman denkt aan een vorm van het ww 'briselen' (MNW), maar
het zou ook een verschrijving voor brijcse [ontwee] kunnen zijn. In
beide gevallen betekent het zoiets als 'maak het fijn'. 2.76
broot, broode- znw: 'brood' (passim)
roggen broot- 'roggebrood' 2.40 schoonen
broode, schoon broot- *'witbrood' 2.14,
2.47
witten broode, wit broot, wijt broot, wittebroot- 'witbrood' 2.34,
2.50, 2.51,
2.53, 2.65, 2.75,
2.79,
2.82, 2.88,
2.89
dun broot-
'dun brood'
2.80 plat dun breed broot- 'plat dun breed brood' 2.77
grof broot- 'grof brood'
2.79 bruede, bruwet- znw: 1.
'bouillon' 2.33 2.
'jus' 2.65 bygerichte- znw: *'bijgerecht' 2.42a bynden- ww: 'binden' Van een vloeistof. 2.24,
2.72 bypeeper- znw, gerecht: Gekruide saus bij
wildbraad. 2.40 cappuyn, cappunen (pl), cappoenen (pl)- znw, gevogelte: 'kapoen' Vetgemeste,
gecastreerde haan. 2.18,
2.32, 2.41,
2.66 cardemen-
znw, specerij: 'cardamom' 2.4 claer- bnw: 1.
'helder' 2. 'puur' In:
"claeren doeyer van eyeren". Dwz dat de dooiers van het wit gescheiden
zijn. 2.4 clareyt zack- znw: *'linnen filterzak om
wijn door te laten lopen' Dus NIET zoals in het MNW staat "een
wijnzak ter bewaring van 'clareyt'" 2.20,
2.21 cleet- znw: 'doek', 'lap'
2.12, 2.16 cleyn- 1.
bnw: 'klein' 2.8 2.
bw: 'fijn' 2.7, 2.20,
2.29, 2.33,
2.34, 2.86
3. bnw: 'krap' 2.87
clysterie- znw: 'klysma', 2.29,
2.31 coecken (pl)- znw, gebak: '(peper)koek'
2.83 coelen- ww: 'afkoelen' 2.21 colen- znw, brandstof: 'houtskool' of 'turf' claer
colen- 'zacht kolenvuurtje'
2.76,
2.80 colicsoir- znw: *'bindmiddel' Van het
Latijn "colligo"? Of *'zoethout' Nav MNW
"colissiehout"? Of toch iets anders? 2.16 conyn- znw, dier: 'konijn'
2.79 concerf, conserve- znw, bereiding:
'conserven' Bereiding om levensmiddelen langer houdbaar te maken. 2.23 confortatyf- znw, medicijn: 'opkikkertje' 2.30 cooperoot- znw: 'kopersulfaat' 2.26 couden- ww: 'afkoelen' 2.36,
2.37,
2.95,
2.96
cout- bnw: 'koud' 2.38,
2.95,
2.96
crume(n)- znw: 'broodkruim' Zonder
korst. 2.14 cruyden, cruijt- ww: 'kruiden' 2.36, 2.76
cruyt, cruyde, tcruyt- znw: 1.
'tuinkruid', 'specerij' 2.10,
2.16, 2.20,
2.32, 2.35,
2.83, 2.85
groen cruyt 2.44,
2.90 zuet
cruijt
2.44, 2.63
droech cruyt
2.79 2. 'puree', 'jam' 2.24
cruijt van vys- 'koekjes van vispuree'
2.90
druijfcruyt- 'druivenjam' 2.71
keerscruyt- 'kersenjam' 2.27
queekruijt- 'kweeënjam' 2.72 decsel- znw: 'deksel' Van brood? 2.77
deech- znw: 'deeg'
2.82, 2.83,
2.89a gebonden deech- 'stevig
deeg' En dus niet beslag. 2.64 dick, dicke, dijcke, dijck- bnw: 'dik', 'ingedikt', 'gebonden' 2.27,
2.37, 2.38,
2.71, 2.93,
2.95,
2.96,
2.97 dicke- bw: 'vaak' 2.13 disteleren- ww: Eigenlijk 'Door
verdamping en daarop volgende condensatie zuiveren of concentreren'.Wij
associeren distilleren vooral met het stoken van sterke drank (een Italiaanse
uitvinding van rond 1100), maar hier wordt een kapoen "gedestilleerd".
2.32 doeck- znw: 'doek', lap'
2.12, 2.21,
2.39, 2.85
doecxken- 'doekje' 2.35 doef- bnw: Lett. 'doof' *In dit recept betekent
het dat de ingrediënten al hun smaak hebben afgegeven aan de omringende
waterdamp tijdens het distilleren. 2.32 doeyer, doeijer, doeyers (pl), doeyeren (pl)- znw: 'dooier' 2.30,
2.42a,
2.100 doeyer van een eye, doeyer
van eyeren, doeyeren van eyeren, eys doeyer: 'eidooier', 'eidooiers' 2.4, 2.13,
2.22, 2.30,
2.31, 2.34,
2.39,
2.43, 2.60, 2.73, 2.76,
2.94,
2.96,
2.97
doopen, dopen- znw: 'diepe schaal' (?) Hierin wordt een vloeibare
substantie (vlaede) gedaan om in de oven te bakken.
2.73, 2.74, 2.75
dosijn- znw: 'dozijn'
2.82 dragmae (pl)- znw, gewichtsmaat: 'drachme' Medicinaal
gewicht, ongeveer 3,9 gram, een kwart "lood". In het manuscript wordt
alleen de afkorting gebruikt (lijkt op een 3) 2.15,
2.80 drogen, gedroocht- ww: 'drogen' 2.65,
2.89 druijf, druven (pl)-
znw, fruit: 'druif' 2.71 duer slaen,
duer geslaegen- ww: 'door [een zeef of doek] duwen'' ', 'zeven' (passim) duue (duve), duuen (pl)- znw, gevogelte: 'duif' 2.9,
2.34, 2.59,
2.94 dwit- 'het wit' edick, edijck- znw: 'azijn' 2.29,
2.49, 2.53,
2.58, 2.59,
2.61 eerden- bnw: 'van aardewerk',
'aardewerken' eet lepel- znw: 'eetlepel' (niet in MNW)
2.30 entvogel- znw, vogel: 'eend' 2.65,
2.88
ert nat- znw: 'erwtennat' Het kookvocht van
erwten. 2.48 erweijten (pl)- znw,
peulvrucht: 'erwten' 2.92 eyeren,
eyer (pl)- znw: 'eieren' 2.3,
2.7, 2.33,
2.42a,
2.43, 2.62,
2.80,
2.82, 2.84,
2.93,
2.97, 2.98,
2.99, 2.100
gesoden eyeren 2.7,
2.10 morwe gesoden ey 2.81,
(2.94)
harde eyeren 2.44
eys doyer, eysdoijer- doeyer,
wit van eyeren- 2.78
eyer vlade- znw, gerecht: 'eiervla'
2.84 eyerwafele- znw, gerecht:
'eierwafels' 2.82 fiolen bloemen (pl)- znw, plant:
'viooltjes' 2.23 foelye, foelie, foelye
blomen- znw, specerij: 'foelie' Het vlies van de nootmuskaat doet
denken aan een bloem. 2.2, 2.15,
2.19,
2.68 fransyn- znw: 'perkament' 2.23 fryten, fruyten, gefryt- ww: 'in vet/boter/olie
gebakken' 2.11, 2.42a,
2.93,
2.100 -G- g=gh galentyn- znw, gerecht: Volgens MNW
"vis of vlees in gelei". In dit recept wordt een koude, met brood
gebonden saus gekruid met o.a. gember en laos beschreven. 2.36 galigaen- znw, specerij: 'galangawortel',
'laos' Lijkt op gemberwortel. 2.12,
2.16, 2.21,
2.35, 2.36, 2.74, 2.76
galnote, galnoten (pl)- znw: 'galnoot' of
'galappel'. Bolvormige vergroeiïng op eikebladeren waarin de larve van een
galwesp zat. 2.26 gans, gansen (pl)- znw, vogel: 'gans' 2.81 wilde gans- 'wilde
gans' 2.65 gansselgye- znw, gerecht: *
Oorspronkelijk
een saus bij gans, later ook bij ander vlees. 2.37
gebraed, gebraden- znw, gerecht: 'gebraad' 2.39 gelas- znw: 'glas' 2.23,
2.82 gelaye,
geley, geleye, gheleye- znw, gerecht: * 'gelei'
2.2 (In dit recept wordt alleen de
kruiderij genoemd), 2.12,
2.16, 2.21,
2.35 ghember,
gembaer, gember, gengeber-
znw, specerij: 'gember' (passim).
wytten gember- 'witte gember' Gemberwortel
van eerste kwaliteit. 2.14 witten gescelden gember- 'witte
gepelde gember' 2.12
gieten, ghieten-
ww: 'gieten' 2.20,
2.21,
2.65, 2.66,
2.72, 2.73
gomme- znw: 'gom' 2.26 graet- znw, deel ve dier: 'graat' Van een vis.
2.12 greyn- znw, specerij: 'paradijskorrels' Ofwel meleguetapeper, te vervangen door korianderzaad.
2.2, 2.7,
2.12, 2.16,
2.35, 2.36,
2.50,
2.68, 2.74, 2.76 gruen, groen- bnw: 1.
'groen' 2.5,
2.44, 2.58, 2.75 2.
'vers' Dus 'ongezouten' 2.39 hacken, gehact, gehackt- ww: '(fijn)hakken' 2.7,
2.25,
2.33,
2.44,
2.46, 2.64 hamelscouwre- znw, vlees: 'schapenschouder'
2.79 hard- bnw: Hier 'hardgekookt' (eieren) 2.44 hart- znw, deel ve vrucht: 'klokhuis' 2.74
harvujs kese- znw: Een soort kaas, maar
welke? 2.33 heet- bnw: ' heet'
2.65, 2.88
her, herre, heir- znw, keukengerei: * 'zeef' 2.10,
2.11, 2.13,
2.21 hoender,
hoenderen (pl)-
znw, gevogelte: 'kip' 2.4, 2.9,
2.10, 2.19,
2.59, 2.60,
2.66
jonge hoenderen- 'jonge kippen' 2.34 hoender vlees- znw, vlees: 'kippenvlees' 2.4 hoene nat- nat hoepsen- znw: 'handvol' 2.33 honich- znw: 'honing' 2.10 huenre nate- nat jaerscoeck- znw, gebak: Volgens MNW
"nieuwjaarskoek" of "verjaringskoek" 2.67 int- znw: 'inkt', 2.26 ipocras- znw, drank: 'hypocras' Wijn op smaak
gebracht met specerijen en suiker. 2.20,
2.69 itsen- znw: 'hitte'
2.91 kan- znw, keukengerei: 'kan' 2.37 kaneel,
caneel-
znw, specerij: 'kaneel' Passim karenten (pl), crenten (pl), corenten (pl)- znw, zuidvrucht:
'krenten' 2.18,
2.19,
2.79
karstaengien (pl)- znw, vrucht: 'kastanjes'
2.15 keerscruyt- cruyt keersen (pl), kersen (pl)- znw, fruit: 'kersen' 2.11,
2.27, 2.28,
2.63, 2.78,
2.89 zwarten keersen (pl)- 'zwarte kersen' 2.78 kers soppe- znw, gerecht: '
kersensop' 2.89 ketel- znw, keukengerei: 'ketel' 2.35 kese, keese - znw, zuivel: 'kaas' 2.33
platten keese- 'zachte, verse kaas' 2.75 zie haruijs kese
en keeszweetsen koek, koeken- znw: '(peper)koek'
2.46
peeper coeck kommeney, commeneye- znw, gerecht: *
'komijnsaus' Saus, meestal met
komijn, 2.8, 2.9,
2.34, 2.59,
2.94,
2.95,
2.96,
2.97
,
maar soms ook zonder (of zou de belangrijkste specerij vergeten zijn in de
tekst?) 2.7, 2.10,
(2.94) komyn, comyn- znw: 'komijn' 2.8,
2.9, 2.34,
2.48, 2.59,
2.92, 2.94,
2.95,
2.96,
2.97 kuijte- znw, ve vis: 'kuit' snoecx
kuijte laeden (pl)- znw: 'bakje' of
'kistje'
2.71, 2.72 larderen- ww:
'larderen'
2.79 laingier-
znw, gerecht: 'blancmanger' Een lichtgekleurde saus of dikke brij, gebonden met amandelen of amandelmelk.
2.3
leuer, leeuer- znw, orgaanvlees: 'lever' 2.45,
2.58 Lombaertsch- bnw: 'Lombardisch' 2.25,
2.33,
2.43 loock- znw 1. kruid: 'knoflook' 2.37, 2.81
2.,
gerecht: 'knoflooksaus' 2.81
loot- znw, gewichtsmaat: 'lood' 1/32
pond
of 1/2 ons (VH): ong. 15 gram (1 eetlepel). 2.15,
2.16, 2.17,
2.18,
2.19,
2.20,
2.21, 2.32,
2.35, 2.67,
2.68, 2.69,
2.70, 2.87 vierdelloot,
vierdeloot- 'kwart lood' Ofwel iets minder dan een theelepel. 2.21,
2.67 lijnssaet, lynsaet- znw: 'lijnzaad' 2.35 maeger, maegeren- bnw: 1.
'mager' 2.41 2.
'ontvet' 2.39 mandelleyen- znw, gerecht: 'amandelsaus' 2.38 mandelmelck, mandelenmelck- amandelmelck mangereet- znw, gerecht: * Gerecht van
amandelmelk met appels, rozijnen en vijgen.
2.47 meel- znw, ingrediënt: '(volkoren) meel'
2.67, 2.68,
2.83, 2.89a meelsuijcker- zie zuycker meerswijn, merswijn- znw, zeezoogdier:
'bruinvis' 2.64 melck- znw, zuivel: 'melk' zuete
melck, zoeten melck, zuetmelc, zoet melck- 'verse melk' 2.13,
2.31, 2.63, 2.81,
2.84 moerbesy, moerbesijen (pl)- znw, vrucht: 'moerbei' of
'braam' 2.28 gedroochde moerbesijen
2.52 moes- znw, bereiding, hier:'puree', 'pap' 2.13 monneck-
znw, naam ve gerecht: Lett. 'Monnik', Twee
omeletten van alleen eiwit, met een vulling van appel, eidooiers en specerijen
er tussen. 2.100 mortier,
mortyr- znw, keukengerei: 'vijzel' 2.2,
2.3,
2.12, 2.24,
2.54, 2.55,
2.62 moertier steen
2.90 morw- bn: 'mals', 'zacht' 2.64,
2.82, 2.83
mou- znw, keukengerei:
'kneedbak', 'baktrog' (niet in MNW)
2.83 muscaet- zie
nooten muscaten muscatenbloemen, bloem van muscaten,
bloemen van bescaten- znw, specerij: 'foelie'
2.35, 2.64,
2.67, 2.69, 2.77,
2.87 my- onbep.vn: 'men' Ik heb lang getwijfeld of er
niet men staat geschreven, maar volgens mij staat er toch echt my.
2.7, 2.22,
2.27 , 2.28,
2.83, 2.89a naegel, nagel, naegelen (pl)-
znw, specerij: 'kruidnagel' (passim) nae sieden- ww: *'inkoken', 'een
tijdje sudderen' 2.92 nat, naet- znw: '(kook)vocht', 'sap' 2.24,
2.35 huenre
nate, hoene nat, hoendernat- 'kookvocht van kippen' 'kippebouillon' 2.38,
2.39, 2.66 vlees naet- 'kookvocht van
vlees' 'vleesbouillon' 2.33,
gruen vleesch nat- 'bouillon van vers, ongezouten vlees' 2.39 nooten muscaten, muscaten- znw, specerij:
'nootmuskaat' 2.2, 2.35,
2.67,
2.70 olije- znw: 'olie' Om te bakken. 2.37,
2.42a,
2.90, 2.92 ommelyen- znw.: 'omelet' (niet in MNW) 2.22 om roeren- ww: 'omroeren' 2.39 ongescelde- bnw: 'ongepelde' 2.3 onioene- znw, groente: 'ui'
2.91, 2.92 ontwee, ontwe- bw: 1.
Eigenlijk 'in
twee stukken' 2.42a 2.
'aan poeder', 'tot puree', 'fijn' (passim) ontwe breken- ww: 1. *'stampen, fijnmaken
en mengen'
2.1, 2.13,
2.95,
2.97, 2.100 2. 'loskloppen' Van eieren.
2.93,
2.96 oort- znw, munt: 'het vierde deel van een
stuiver' (WNT) 2.67 op gieten- ww: 'opgieten' 2.39,
2.89 op sieden (op gesoden), op zyen- ww: 'opkoken' 2.2,
2.3, 2.16,
2.17, 2.21,
2.47,
2.48, 2.52,
2.53 ouen, oouen (oven)- znw: 'oven' 2.11,
2.28, 2.54,
2.55, 2.63,
2.64, 2.76,
2.80 ouergieten (ouergegoten)-
ww: 'ergens overheen gieten' 2.88 pan- znw, keukengerei: 'pan' 2.21,
2.42a,
2.90 pap- znw, gerecht: 'pap' Vloeibare spijs.
2.48a papier- znw: 'papier' 2.23 Paeschen- znw: 'Pasen' 2.41 pastey- znw, gerecht: 'pastei' 2.18,
2.19,
2.61, 2.64
pastey van runtvlees- 'runderpastei'
2.87
conyn pasty- 'konijnenpastei'
2.79 scouwer pasty-
'schouder pastei' 2.85
vlees
pastey- 'vleespastei' 2.15 pauw- znw, gevogelte: 'pauw' 2.45 peeper- znw
1. specerij: 'zwarte peper' In korrels of gemalen.
2.1, 2.15,
2.37, 2.39,
2.40, 2.41,
2.42a,
2.49, 2.55,
2.60, 2.61,
2.67,
2.70, 2.85,
2.87,
2.100
2. gerecht: 'pepersaus' Een meestal donkere, goed gekruide saus voor in de winter.
2.60
langen peeper- piper longum,
een pepersoort met kleine korreltjes die in dichte trosjes groeien
2.69
sueten peeper- 'zoete pepersaus' (?)
2.4
witte peper- 'witte pepersaus' 2.53
Zie ook bypeeper peeper coeck- znw, gerecht: 'peperkoek' 2.74, 2.76
stercken
peeper coeck Sterk gekruide of compact gebakken peperkoek?2.44 peerden swant- znw: 'paardenstaart' In
de context van het recept kan ik deze betekenis niet thuisbrengen 2.22 pellen- ww: 'pellen' 'schillen' 2.74, 2.76
Hier 'de
huid verwijderen' 2.37 peterselien, petercelie, petercely, peterselye,
petercelijen- znw, kruid: 'peterselie' 2.5,
2.25, 2.33,
2.42a, 2.75,
2.89, 2.94 petercelye blaeder (pl),
peterselie blaeder-
'peterselieblaadjes'
2.44, 2.58
petercelie wortelen (pl)-
'peterseliewortels'
2.44 pint- znw, inhoudsmaat: 'pint' Dit is 5,86
deciliter (VH) 2.31,
2.67,
2.79,
2.85
poemeyen- znw, gerecht: 'appelmoes'
2.93 poeree, puereye, pureyen- znw 1. gerecht: * 'puree'
2.48,
2.91(?),
2.92 2. groente:
'prei' 2.91(?) poluer, puluer, poeder- znw: 1.
'poeder' 2.23,
2.36, 2.94 2.
Een mengsel vcan specerijen 2.45,
2.93,
2.99 goet
poeder: 2.33 pont, ponden (pl)- n, gewichtsmaat: 'pond' Dit is 430 gram (Gents pond,
VH). 2.15, 2.17,
2.18,
2.19,
2.20,
2.26, 2.27,
2.69,
2.72,
2.79,
2.80,
2.83, 2.85,
2.86, 2.87 pot- znw, keukengerei: 'kookpot van aardewerk, steen
of metaal' 2.2, 2.3,
2.11, 2.21,
2.32, 2.61,
2.63, 2.93 eerden pot- 'aardewerken pot' 2.65,
2.88 nieuwen eerden pot- 'nieuwe aardewerken pot' 2.21
schoonen pot- 'schone pot' 2.23
potken- 'potje' 2.35 pruymen, prumen, pruijmen- znw, vrucht: 'pruimen' 2.18,
2.19,
2.63
pruymen (pl) van Dammast,
prumen van den mast- 'kwetsen' Pruna Damascena, een langwerpige blauwe pruim (CI
236) 2.15, 2.28 puren- ww: 'reinigen, clarifiëren'
2.99 quaerten, quaert, quarten- znw, maat: Volgens MNW twee
pinten, dat is 1,17 liter. 2.16, 2.17,
2.20,
2.21, 2.26,
2.31, 2.35,
2.69,
2.73,
2.80,
2.83, 2.84
quetsen- ww: 'vermorzelen', 'fijnmaken' 2.16,
2.21 raolie, raep smout- znw: 'raapolie' 2.29, 2.75, 2.78
raspen- ww: 'raspen' Brood
2.82 rebbe- znw? bnw?: De meest passende betekinis
volgens het MNW is 'bladnerf', maar het recept is voor bessen,
niet voor bladeren. Zou rebbe een verschrijving voor rode
kunnen zijn? Dan zou er rode rybes staan: 'rode bes'. Of rebbe
betekent 'geribbeld', dan zou het om een soort bes met ribbels moeten
gaan, misschien een soort kruisbes (ook ribes)? 2.24 reyger- znw, gevogelte: 'reiger' 2.41 richten- ww: 'opdienen' 2.93,
2.99 rijs- znw, graan: 'rijst',
2.85 roffioelen (pl), roffiolen (pl)- znw, gerecht: 'pasteitjes' Maar
in 2.25 en 2.33
lijkt de betekenis toch echt 'ravioli'. rompen- znw, specerij: 'nootmuskaat' 2.15,
2.16, 2.18,
2.19,
2.21 ronnen- ww: *'stollen' Van een ei.
2.97, 2.98,
2.99 room- znw, zuivel: 'room'
2.17 zueten room, zoeten roomen-
'verse room' 2.11,
2.93,
2.96 roos- znw, plant: 'roos', 2.23 roosmaryn- znw, tuinkruid: 'rozemarijn' roosmaryn
blaeder- 'rozemarijnblaadjes', 2.46 roost, roosten (pl)- znw, gerecht: 'gebraad' 2.52 roosten, geroost- ww: 'roosteren' 2.10 rooster- znw, keukengerei: 'rooster' 2.36,
2.37, 2.38,
2.65, 2.88,
2.89 root- bnw: Eig. 'rood'. Hier 'bruin' Van
het roosteren. 2.10 rosynen,
rosijnen (pl)-
znw: 'rozijnen' 2.6, 2.15,
2.45,
2.47, 2.55,
2.64, 2.87
rouw- bnw: 'rauw' 2.39 rueren- ww: 'roeren' 2.21 ruet- znw, vet: '(nier)vet', 'reuzel' 2.15,
2.79,
2.87
runtsvlees, runtvlees- znw: 'rundvlees' 2.61,
2.87 rybes- znw, vrucht: 'ribes', 'aalbes' Ribes is
een verzamelnaam voor vruchtstruiken met rode, zwarte en witte bes. Rode bessen
en zwarte bessen zijn inheems in Europa. De rode bes wordt voor het eerst in het
begin van de vijftiende eeuw vermeld in Duitsland, zwarte bessen worden een eeuw
later gecultiveerd. (AD) 2.24 ryuier visch- znw: 'zoetwatervis'
2.95,
2.96 sanen, zaen, zanen- znw,
zuivel: 'room'
2.73, 2.74, 2.75, 2.81
dicke zanen
2.80 sangwijn- bnw: 'bloedrood' 2.52 sauie- znw, gerecht: * 'saus op basis van salie'
2.98 saus, zause- znw, gerecht: 'saus' 2.14,
2.49,
2.50, 2.51,
2.52, 2.56,
2.65 saut- znw: 'zout'
2.1 scellen, gesceld(en)- ww: 'schillen',
'pellen' 2.12,
2.72 scellen (pl)- znw: 'schubben'
2.12 schoen- bnw: 'schoongemaakt' 2.24 schotel, scotel schotelen (pl), scotelen (pl)- znw, tafelgerei:
'dienschotel' 2.21, 2.24,
2.33, 2.36, 2.77,
2.89 eerden
schotel- 'aardewerken schotel'
2.85
sclissen of scliffen- ww: 'splijten,
klieven' (?) (Niet in MNW of WNT)
2.98 scouwer- znw, vlees: 'schouder'
2.85 schuymen-
ww: 'afschuimen'
2.1 scillen (pl)- znw: '(eier)schalen'2.42a selue, zeluen- znw, kruid: 'salie' 2.42a,
2.44, 2.81 Zie
ook sauie seluen
blaeder- 'salieblaadjes' 2.46 seroop, seroopen- znw: 'siroop'
2.83 ; Om
wijngelei te kleuren. Er zal dan siroop van gecarameliseerde suiker worden
bedoeld: 2.21 ; Kant en
klaar gekochte siroop: 2.67 sincken- ww: 'bezinken' (?) Het gaat hier om
een gelei, die moet opstijven. 2.16 slaen- ww. 1. 'slaan'
2.
'kapot slaan' Van een ei.
2.97 duer slaen
slecht, slechte- bn:
'eenvoudig' 2.83 sleese- slaen sluyten- ww: 'afdekken' Met een plak brood. 2.76
smelten, gesmolten-
ww: 'smelten' 2.82,
2.89a smijten- ww: smijten'
2.83 smout- znw: 'vet' 2.41 snoek, snoeck- znw, riviervis: 'snoek' 2.8,
2.12 snoecx kuijte- znw, ve vis: 'snoekkuit' 2.54 snyden- ww: 'snijden'
2.47,
2.76, 2.77,
2.85,
2.91
sofferaen, soffraen- znw, specerij: 'saffraan'
Passim sofferanen- ww: * 'kruiden/kleuren met
saffraan'
2.1 speck- znw, vlees: 'spek' of
'varkensvet'
2.79 speen vercken- znw, vee: 'speenvarken'
2.44 spruwen- ww: *Braekman stelt voor:
'sudderen' 2.93 spijs- znw: 'voedsel', 'mengsel' 2.76,
2.100
spijsappel- zie appelen spyscruyt- znw, specerijen:
'specerijenmengsel' 2.70 steen- znw, deel ve vrucht: 'pit' 2.11,
2.63, 2.78 stermyn, stemmyn, stommyn, starmyn, stamyn- znw, keukengerei: 'zeef', 'zeefdoek' 2.2,
2.24, 2.34,
2.35, 2.63,
2.66,
2.72,
2.92, 2.94,
2.95,
2.97 stijf- bnw: 'stevig'
2.83 stockvisch- znw, vis: 'stokvis' Gedroogde,
ongezouten kabeljauw. 2.35 stof- znw: *'vulling' 2.62 stoten, stooten, gestooten- ww: 'fijnstampen'
In een vijzel. (passim) strauwen, strouen- ww: 'strooien'
2.66, 2.77,
2.79,
2.89
struue, struuen (pl)-
znw, gerecht: 'omelet' Met alleen eiwit:
2.100 suete, zuete- bnw: 1.
'zoet' 2. 'vers' of
'ongezouten' 2.4, 2.11,
2.13, 2.31
3. 'zacht' of 'aangenaam' zoet
cruijt Vgl Frans 'poudre douce', een mengsel van gember en kaneel,
met eventueel nog andere specerijen en suiker 2.63 sukeren (gesukert)- ww: 'bestrooit met suiker'
2.89 suyckerey- znw, gerecht: *Een
ondoorzichtige gelei of soort hartige bavaroise, met amandelen en room gebonden.
2.17 swam, zwam, zwaem- znw, deel ve vis:
'zwemblaas' Hiervan wordt "vislijm" gemaakt. 2.35 swanen halsen- znw, deel ve dier:
'zwanenhals' 2.46 swerte- bnw: 'zwart' 2.26 sye, zye, sij- znw, keukengerei: 'zeefdoek'
(niet in MNW of WNT)
2.71,
2.72, 2.74, 2.75 tafel- znw: 'tafel'
2.83 taerte, tarte- znw: 'taart' 2.6,
2.55, 2.89a appel taerten-
'appeltaart' 2.76
besy tarten- 'bessentaart' 2.78
keers tarten- 'kersentaart' 2.78
saen taert- 'roomtaart'
2.80 venckeltaert- 'venkeltaart' 2.77 tay- bnw: 'stevig'
2.83 tems, teems- znw, keukengerei: 'haren zeef' om melk te zeven (MNW)
2.73,
2.79
terwe- znw, graan: 'tarwe'
2.73 teyl- znw, keukengerei: 'aardewerken schotel' 2.76,
2.85
eerden teyl
2.80
tornysol- znw, kleurstof: 'tournesol'
Hier: Een linnen doek werd meermalen geweekt in sap van bessen. Als je daarna
deze doek spoelde in een vloeistof, dan werd deze gekleurd. 2.21 tym- znw, tuinkruid: 'tijm' 2.75
vasteldagen- znw: 'vastendagen' Buiten
de vastentijd, dus zuivelproducten waren wel toegestaan. Daarom ook: 'visdagen'
2.96 vasten- znw: 'vastentijd' Vooral de veertig
dagen vanaf Aswoensdag tot Pasen, maar ook de woensdagen, vrijdagen en
zaterdagen in de Quatertemperweken: perioden waarin het eten van vlees en
dierlijke producten en zuivel was verboden. Tijdens "normale" weken
was op -meestal- woensdagen, vrijdagen en zaterdagen vlees verboden, maar zuivel
was wel toegestaan (JSvW). 2.6,
2.37, 2.54,
2.55, 2.57,
2.64, 2.85,
2.95,
2.96
vel- znw: 'vel', 'huid' Van een vis
2.12 venckel zaet- znw, tuinkruid: 'venkelzaad' 2.77
verckens been- znw: Lett.
'varkenspoot' Maar omdat de "voeten" van het varken apart worden
genoemd denk ik meer aan 'hamschijf' 2.34 verckens zult- znw,
vleesbereiding: 'varkenszult' In een zure vloeistof of met zout
geconserveerd varkensvlees. 2.94 vercken vlees- znw:
'varkensvlees'; verschen vercken vlees- 'ongezouten
varkensvlees' (vers van de slacht)
2.91 vermede- znw: 'warmte', 'temperatuur'
2.95,
2.96 verwen- ww: 'verven', 'kleuren' 2.21,
2.28,
2.47, 2.56a vet, vetten- bnw: 'vet'
2.85 ; *Vetgemest? 2.10 vet- znw: 'vet' 2.32, 2.41 vetkens (pl)- znw: 'spek', 'vet',
'kaantjes' ? 2.85 vier, tvier- znw: 'vuur' Het open vuur waarboven en -voor werd gekookt. 2.4,
2.11, 2.37,
2.38, 2.52,
2.95,
2.97 met
cleynen viere- 'op laag vuur' 2.30 vierdeel, vier deel, vierendeel- znw: 'éénvierde deel' ofwel een
'kwart' 2.12,
2.18,
2.19,
2.21, 2.26 2.67,
2.68 vierdelloot, vierdeloot- loot vincken (pl)- znw, gevogelte: 'vinken'
2.94 visch,
vys-
znw, dier: 'vis'
2.1, 2.35,
2.37, 2.38,
2.60,
2.90, 2.98
vlaey, vlade- znw, gerecht: 'vla' Een
soort taartvulling, gebakken in de oven zonder deeg. 2.11,
2.54, 2.57,
2.63 Maar soms met deeg:
2.89a appelvlaeden-
'appelvla' 2.74
zaenvlaeden- 'roomvla' 2.73
sonder vlaeden- Onder toegevoegde room? 2.75 vlees, vleesche- znw: 'vlees' 2.15,
2.98
vlees naet, vleesch nat- znw: 'vleesbouillon' 2.33 vlier- znw, plant: 'vlierboom' bloemen
van vlier- 'vlierbloesem' 2.13 vlierden moes- znw, gerecht: 'puree van
vlierbloesem' 2.13 voeten (pl)- znw: Hier 'varkenspootjes' 2.34 vryfse ontwee, vryf dat ontwee- 'wrijf ze stuk' 2.39,
2.92 vuer (lees: [u]uer)- n, tijdsaanduiding: 'uur'
2.80 vullen, gevult- ww: 'vullen'
2.44, 2.45,
2.46 vuyt, vuyte- bw: 'uit' vuyt ghieten- ww: 'uitgieten' 2.38 vygen (pl), vijghen- znw, fruit: 'vijgen' 2.5,
2.6,
2.47, 2.55 vysel- znw, keukengerei: 'vijzel', 'mortier' 2.21 waelpot- znw, inhoudsmaat: Voor wijn en
bier, volgens het MNW en WNT
gelijk aan één pint, dus ongeveer 1,17 liter
2.68 waermoes, wermoes- znw:
1. '(blad)groenten' 2. 'stoofschotel'
2.91 waesdom- *'waterdamp' Mogelijk is dit een
verschrijving voor "waes", want "waesdom" betekent eigenlijk
'groei, aanwas, winst'. 2.32 water- znw: 'water' 2.3,
2.4, 2.32,
2.37, 2.83,
2.89a
Zie ook borne wellen- ww: 1.
'wentelen' 2.33 2.
'koken', 2.37, 2.38,
2.95,
2.97
werm- bnw: 'warm' 2.56,
2.71, 2.83,
2.91 weycken, geweyct- ww: 'weken' 2.21,
2.36, 2.81
wilt braet- znw, gerecht:
1. 'wildbraad' 2.40
2. 'groot stuk vlees' (?)
2.79
wissen- ww: 'afvegen'
2.12 witten broode- broot wringen- ww: 'uitknijpen' 2.33 wyn- znw,
drank: 'wijn' (passim) ryn wyn- 'Rijnwijn' 2.20
witten wijn, wijtten wyn- 'witte wijn' 2.14,
2.51, 2.66
wijnter- znw: 'winter'
2.50, 2.52 wijt- bnw: 'wit' 2.37,
2.66, 2.77 wytte (pl), wit, dwit- znw: 'eiwitten'
2.42a,
2.84 2.94,
2.100 yser- znw, keukengerei: '(wafel)ijzer' 2.22 ysoop- znw, tuinkruid: 'hysop' 2.75
zap- znw: 'sap' 2.33 zeem- n, ingrediënt: 'honing' In het
bijzonder de eerste vette honing die zonder persen uit de raat komt, ook wel 'maagdenhoning'
of 'ongepijnde honing' geheten 2.67,
2.68,
2.72 zieden,
sieden, zyen, gesoden- 1. ww:
'koken' Passim
2. znw: met eenen zieden-
Aan de koken brengen en meteen van het vuur halen?
2.91 zomer- znw: 'zomer'
2.44 zope, zoppe- znw: '(kook)vocht' 2.33,
2.91 zout, sout- znw: 'zout' 2.17,
2.29, 2.31, 2.81 zouten, souten, gesouten- 1. ww: 'zouten' 2.10
2. ww: 'zouten' Iets met zout inwrijven
en daarna met water afspoelen om ongerechtigheden te verwijderen.
2.12 3.
znw: 'zout' Verschrijving voor "zout"? 2.16 zuycker, suycker, suijker- znw, specerij: 'suiker'
Passim wijtten
zuycker- 'witte suiker' Dus geraffineerde (hoe primitief ook) suiker.
2.37
root zuycker, roet zuycker- Betekenis onduidelijk. 'bruine
(ongeraffineerde) suiker', of 'gebrande suiker'? 2.37,
2.64,
2.95,
2.96 meelsuijcker-
'poedersuiker'
(heel fijn gestampte suiker) 2.72
zwaleuen (pl)- znw, gevogelte: 'zwaluwen'
2.94 zweetse- znw, gerecht: een zeker gebak (MNW)
keeszweetsen- 'kaasgebak' 2.75
zwijnen vlees- znw: 'varkensvlees' 2.62
This page was last updated on 16-08-09. (day-month-year) |
||||||||