|
Inleidende teksten, bewerkingen en foto's van gerechten zijn eigendom van Coquinaria en mogen niet zonder toestemming en bronvermelding worden overgenomen.
Glossarium bij de diplomatische editie van
"Wel ende edelike spijse"
Klik hier voor uitleg over de gebruikte afkortingen en de opbouw van
de lemmata. Dit is het glossarium bij de diplomatische editie van "Wel ende edelike
spijse", ms. UB Gent 1035. Behalve een glossarium is dit ook een index, de
getallen achter de woordverklaringen verwijzen naar de recepten in de editie
waar het trefwoord wordt gebruikt. De rangschikking van de trefwoorden verschilt van de gangbare
alfabetische rangschikking:
Heeft U suggesties of correcties, of mist U een bepaalde uitleg in dit
glossarium, laat het mij dan weten (Contact). A B
C D E
F G H
I/J K L
M N O
P Q R
S/Z T U
V W X
Y/IJ (Z = S) agrette- znw: * 'verjus' Van het oudfrans
'aigret'. 2.14 amandelen (pl), ammandelen (pl)- znw: 'amandelen' 1.23,
1.26, 2.4,
2.7, 2.11,
2.28 amandelmeel- znw: 'fijngemalen amandelen' 2.4
amandelen melke, amandelen melc,
amandel melc, amandel melke- znw: 'amandelmelk' 1.14,
1.16, 1.17,
1.23, 1.26,
2.4, 2.7,
2.11, 2.24 amandeleyt- znw, gerecht: Dikke
pap(?)gemaakt met gemalen amandelen. 1.14,
1.inhoud amidom, amidoms- znw: 'zetmeel' 1.28
amig van Alexandre- znw, specerij: 'Ethiopische komijn'
Zaad van Trachyspermum ammi. 1.33
amiroen, amyroen- znw, gerecht: * Volgens MNW variant van
amidom, 'zetmeel'. amiroen inden pot gemaect- 'lammetjespap' Met
amandelmelk ipv melk. 2.24, 2.inhoud anguwissen- znw, vrucht: 'anguissepeer' Een
soort peer.1.15
anijs- znw, tuinkruid: 'anijszaad' 1.15
appel, appelen- znw, vrucht: 'appel' 1.3,
1.6, 1.16,
1.inhoud appelmoes- znw, bereiding: 'appelmoes' 1.16,
1.inhoud asijns, asyne- znw: 'azijn' 1.32,
2.16 wijnasijne, wijn asijn, wijn asyne-
'wijnazijn' 1.15,
1.26, 1.31,
2.12, 2.20,
2.28 backen- ww: 'bakken' In vet. 1.18
baers, baerse, baersse, baersen, baerssen- znw 1.
zeevis: 'zeebaars' 1.19 2.
zoetwatervis: 'rivierbaars' 3. 'baars'
Niet te bepalen zoet- of zoutwatervis
wordt bedoeld. 2.10, 2.11,
2.inhoud
bake- znw, vlees: 'zij spek' 2.18
barghin, barghijn- bnw: 'van het varken', 'varkens-'
1.1 barghin vleesch: 'varkensvlees' 1.3,
2.3 barghijn smout, barghijn smoute-
'varkensvet' 2.4, 2.5
been- znw, deel ve dier: 'poot' 1.9 bestroyen (bestrooyt)- ww: 'bestrooien' 1.30,
2.4 binden (gebonden)- ww: 'binden' Van een saus of pap. 2.20,
2.24 blancmengier, blamengiere- znw,
gerecht: 'blancmanger' Een lichtgekleurde saus of dikke brei, gebonden met
amandelen of amandelmelk. 2.4 Met
vis. 2.11, 2.inhoud blasen, blaesen- ww: 'blazen' Tussen vel en
vlees. 2.13
blat, bladeren (pl)- znw: 1.
'schijf' 1.6
2. 'vel' Van deeg.
1.19, 1.22,
2.2 bloemmen, bloemme- znw: 'fijne tarwebloem'
1.20, 1.21,
1.29 bongnette- znw, gerecht: 'beignet' Klein gefrituurd
gebak. 1.3, 2.1,
2.2 borne- znw: 'bronwater' Dus geen regenwater.
2.18
botere, botre, bueter- znw: 1.
'boter' 2.18 2. 'amandelboter' 1.26
braden, braeden (gebraden)- ww: 'braden' In alle betekenissen: in een
pan, roosteren aan het spit of op een rooster. 1.11,
1.12, 1.19,
1.24, 1.28,
2.3, 2.9,
2.13, 2.18,
2.20, 2.23,
2.29 breden- ww: 'uitspreiden' 1.25
broeyen- ww: 'broeien' Begieten met heet
water na de slacht van een dier om er makkelijker de borstels of veren af te
krijgen. 2.13 brood, broot, broode- znw: 'brood' 1.11,
1.24 Als bindmiddel. 1.2, 1.8,
2.7, 2.10,
2.12, 2.15,
2.16, 2.19,
2.20,
2.29 wittebrood, witte broode, witte broods-
'wittebrood' 1.14,
1.17, 2.14,
2.17, 2.22 bruwet, bruwette- znw: 'kookvocht' 1.7,
1.9, 2.19,
2.22, 2.27 buke- znw, deel ve dier: 'buik' 1.28
cabelyauwe, cabbelyauwe- znw, vis: 'kabeljauw'
Zeevis.
1.16, 1.27
cabuse coolen- znw, groente: 'witte kool' 1.15 caesvat- znw, keukengerei: 'kaasvorm' 1.26 cameline- bnw: sausse
cameline Naam van een saus , vaak met kaneel, maar hier zonder kaneel
bij haas. 2.16
caneele, caneels- znw, specerij: 'kaneel' 1.7,
1.9, 1.15,
1.20, 1.23,
1.32, 1.33,
2.5, 2.8,
2.9, 2.12,
2.13, 2.23 capoen, capoene- znw, gevogelte: 'kapoen', 'gecastreerde haan'
Een haan werd gecastreerd om hem beter te kunnen vetmesten. 1.2,
1.10, 1.inhoud,
2.4, 2.5,
2.27, 2.28,
2.29, 2.inhoud
cappen- ww: 'klein snijden', 'hakken' 1.2,
1.3, 1.17,
1.19, 1.20,
2.2, 2.9,
2.13, 2.29 case, kaes- znw: 1.
'kaas' 2.
'amandel"kaas"' 1.26 case
van gauy, kase de gein- 'Goudse kaas' 1.21,
1.inhoud, 2.2
murwen case- 'verse kaas' 2.26 chiueye- znw, gerecht: Naam van een saus bij baars met o.a. komijn en
verjus. In de receptenlijst aan het einde van hoofdstuk 2 heet deze saus "seueye".
2.10
clareyt- znw: 'met specerijen gekruide wijn' Van
witte of rode wijn. 1.33, 1.inhoud cleden- ww: 'bekleden', 'bedekken' 2.5
cleen, clene- bnw/bw: 'klein', 'fijn' (passim) cleenlike- bw: 'met mate' 1.26
cleet- znw, keukengerei: 'doek' 1.11 commijne, commineyen- znw, gerecht: * Een saus
met komijn, 2.7, 2.20,
2.inhoud maar
soms zonder komijn. 1.8
compost- znw, gerecht: 'hutspot',
'kost' Een fijngekookte of anderszins fijn of tot moes gemaakte eetbare
massa (aldus WNT). 1.15, 1.inhoud comijn, commijn, commyne, comine- znw, specerij: 'komijn' 2.7,
2.10, 2.20,
2.inhoud cool- znw, groente: 'kool' Cabuse
coolen 1.15
cop- znw: lett. 'kom', 'vorm voor een pastei' 1.10
corduijn- znw: * 'ingewanden'? 2.12
corsten- znw: 'korst' Van brood. 1.17 couck- znw: 'koek', 'taart', 'gebak' coucken in de panne- 'pannenkoeken'
1.3 coukelkins-
'koekjes' 1.21 cranen- znw, gevogelte: 'kraanvogel' 1.12,
1.inhoud crauwelkin- znw, keukengerei: 'vorkje' Met twee of drie
tanden. 1.6
crevetse, creuetsen- znw, schaaldier: 'kreeft'
of
'rivierkreeft' 1.3,
1.4, 1.inhoud
crickelsteenen (pl)- znw, vrucht:
'kersen' Misschien een bepaalde soort (MNW 'kersenpitten', maar
kernellen van crickelsteenen betekent dan 'pitten van kersepitten'). 1.15
cruden (ghecruut)- ww: 'kruiden', 'specerijen toevoegen' 1.12 cruud, cruut, crude, cruden- znw: 'gemalen specerijen' 1.3,
1.16, 1.19,
1.27, 1.33,
2.27 cruyme, crume, cruymen- znw: 'kruim' Van een
hoeveelheid brood. 2.14, 2.15,
2.17, 2.19, 2.20,
2.22 cueruelkin- znw, keukengerei: 'korfje' 1.26 dadel- znw, vrucht: 'dadel' 1.15
deech, deege, deegh, deeghe- znw: 'deeg' 1.5,
1.10, 1.19,
1.20, 1.21,
1.24, 1.28,
1.inhoud, 2.1,
2.2, 2.5,
2.21, 2.26 pipesen
deege- 'deeg met kaas erdoor' 2.2 deesemen- ww: 'kneden' 1.20,
1.25 dicke- bnw: 'dik', 'dik vloeibaar' 1.17
dien (pl)- znw, deel ve dier: lett. 'dijen' 2.13 dachterste
dien- 'de achterbouten' 1.25
doder, dodere (pl), doderen (pl)- znw: 'dooier'
Van een ei. 1.1,
1.2, 1.20,
1.25, 1.29,
2.9, 2.23,
2.25, 2.26,
2.29
doreren- ww: 1.
'vergulden', 'goudgeel kleuren' Bijvoorbeeld door vóór het braden
bestrijken met rauwe eidooiers, al dan niet met saffraan. 1.20,
1.24 2.
'goudbruin roosteren' 2.3 dragye, dragie- znw, specerij: 'gesuikerde specerijen'
Zoals onze
rose en witte muisjes (JSvW). Deze werden ook wel afzonderlijk opgediend
na de maaltijd, samen met gekruide wijn (JSMW). 1.3,
1.10, 1.19,
1.28, 2.2,
2.25 droogen- bnw: 'gedroogde' 1.13 droopen- ww: 'bedruipen' Met vet. 1.4,
1.19
druven van rosinen- uitdr, vrucht: 'druiventrossen'
(MNW vglk. frans: grappe de raisins)? 1.1:
'druiven' In een zomersaus. duuen (pl)- znw, gevogelte: 'duiven' 2.21,
2.inhoud dwaen- ww: 'wassen' 1.7,
1.25, 2.12,
2.23 dwale- znw, keukengerei: 'doek' 1.11,
1.26 dynne- bnw: 1. 'dun' 1.6,
1.22, 2.27
2. 'vloeibaar' 1.5, 2.1,
2.2 edelen- bnw: 'voortreffelijk' 1.inhoud
eerdinen- bnw: 'aardewerken' 1.7
eeuere- znw, dier: 'everzwijn' 1.24
el niet- frase: 'niets anders' 1.11
enjuin, enjuun, enjune, enjunen (pl)- znw, groente: 'ui' 1.13,
2.7, 2.16,
2.inhoud
eten, heten, heeten- ww: 'eten' 1.12,
1.22, 2.9,
2.16, 2.19,
2.22
eye, eyers (pl), eyeren (pl), eyere (pl)- znw: 'eieren' 1.5,
1.8, 1.20,
1.21, 1.23,
1.24, 1.25, 1.inhoud,
2.1, 2.2,
2.5, 2.6, 2.13, 2.27,
2.29, 2.inhoud
dodere van eyeren (met spellingsvarianten)- 'eidooiers' 1.1,
1.2, 1.20,
1.25,1.29,
2.9, 2.23, 2.25,
2.26, 2.29
dwitte van eyeren (met spellingsvarianten)- 'eiwit' 2.6,
2.29 faersel, faersele, farsueren- vaersel
faysant, faysanten (pl)- znw, gevogelte: 'fazant' 1.12,
1.inhoud
flasteye, flaestrie- bnw, gerecht: * Naam van een saus
bij patrijzen. 1.23, 1.inhoud
fruture, frutuere- znw: * In deeg verpakte spijs die in
kokend vet is gebakken (WNT). Van de direct op de tussentitel volgende
recepten valt alleen recept 1.27 onder die definitie. Tussentitel,
1.inhoud, 2.26
frijten, fruuten (gefrijt, gefruut)- ww: 'bakken of fruiten in vet' 1.2,
1.13, 1.15,
2.4, 2.11,
2.16, 2.29
-G-
g=gh galentine- znw, gerecht: Volgens MNW
"vis of vlees in gelei". In het recept voor deze galentine bij vis
wordt geen bindmiddel genoemd. Misschien was dit zo bekend, dat vermelding ervan
niet nodig was. 1.31, 1.inhoud galligaen, galligaens- znw, specerij:
'galangawortel', 'laos' Lijkt op gemberwortel. 1.32
ghans, gansse, *gantes (pl), gansen (pl)- znw, gevogelte: 'gans'
Wordt
gegeten van 25 april tot 25 december. 1.12,
1.29, 1.inhoud,
2.14, 2.21,
2.inhoud
gansellieden (pl)- znw, gevogelte: *
'ganzebeesten' (?) 1.29
ganselzie, ganselgie, gansselgiede- znw, gerecht: *
Oorspronkelijk
een saus bij gans, later ook bij ander vlees. 1.29,
2.inhoud ganselgie dat men heet edel
looc 2.28 gefroyseert, gefroygiert- 'stuk
geslagen', 'verbrijzeld' Aangezien deze betekenis niet overeenkomt met het
recept voor gevulde kapoen, is dit misschien een verschrijving voor gevaerst-
'gevuld'. 2.27, 2.inhoud
gheheel, gheel- bnw/bw: 'geheel', 'in hun geheel'
1.2, 1.11,
2.4 ghekelongiert, gekelangiert- wwv/bnw: 'geklopt',
'gepureerd' MNW clonen vlaams
dialect is 'kloppen', 'slaan'. 1.13,
1.inhoud geleye, gyleye- znw, gerecht: * 'gelei' Gekookt vlees- of visnat,
dat bij afkoeling opstijft door het gebruik van visgraten en schubben, 1.7,
1.inhoud
of vleesbotten. 1.9, 1.inhoud ghenouch- bw/tw: 'genoeg', 'in voldoende mate' ghepuerert- ww/bnw: 'uitgelekt' Lett.
'gezuiverd'. 1.13 ghesneden- snijden ghesoden, ghezoden, gezoden, gesoden- zieden geueyen- * In recept 1.2 heet de saus
"groender soueyen". Een saus met brood,
hardgekookte eidooiers en fijngehakt eiwit. 1.inhoud
witter geueye 2.29, 2.inhoud
ghewijnt- wwv/bnw: * 'met wijn' wel ghewijnt,
'met veel wijn erin' 1.12
ginghebare, ghingebare, ghinghebare,
ghingebaers, gingebaers- znw, specerij:
'gember' 1.7, 1.9,
1.15, 1.20,
1.23, 1.32,
1.33, 2.5,
2.8, 2.9,
2.10, 2.12,
2.13, 2.16,
2.23, 2.29 graen- znw: 'graan', 'korrel' 1.17
groender, groenen- bnw: 'groene' 1.2,
2.9, 2.14
groene, tgheroone, tgroene- znw, groente: 'bladgroenten' 2.15,
2.inhoud ghyse- znw: * 'uiterlijk' 1.28
haest- * Verschrijving voor hooft,
of voor harst. Recept 1.24 heeft "thooft vanden
eeuere". 1.inhoud
halse, hals- znw, deel ve dier: 'nek' 1.11,
1.20
harinc- znw, vis: 'haring' 1.13 harst- znw, deel ve dier: 'braadstuk' zie haest
hase- znw, dier: 'haas' 2.16,
2.inhoud heect- znw, vis: 'snoek' Riviervis. 1.inhoudnt heet- bnw: 'heet' 1.12 2.
ww: eten 1.22, 1.29,
2.9, 2.12,
2.13 herten (pl)- znw, dier: 'herten' 2.8
herten- ww: 'kelen', 'slachten' 2.12
hertin- bnw: 'van het hert' Of meervoudsvorm
van "hert", herten. 2.inhoud
heten-
ww: 1. eten 1.22, 1.29,
2.9, 2.12,
2.13 2.
'heten' 2.28 heygers- Verschrijving voor reygers.
hoen, hoene, hoendre (pl)- znw, gevogelte: 'hoen', 'kip' 1.3,
2.27 hoerendreete- znw, gerecht: 'hoerenwindje' Komische benaming voor een soort soesje. 2.1,
2.inhoud
hooft, hoofde- znw, deel ve dier: 'kop' 1.11,
1.20, 1.24
houckine- znw, dier: 'ram of geitebok' 2.9,
2.inhoud houten- bnw: 'houten' 1.6,
1.9, 1.19
hu- vnw: 'uw' huenich, huonich- znw: 'honing' 1.22
huut- znw, deel ve dier: 'huid' Zowel van vlees, 1.4
als van vis. 1.7, 2.18
huut, hute- uut 1.25,
1.28, 2.12
huutsen- ww: 'hutsen', 'roeren' 1.16
hynden (pl)- znw, dier: 'hinden' Vrouwelijke
herten. 2.8
joute kelongie- * Naam voor een
groentegerecht. 1.inhoud
kensenruwelen (pl)- znw, vrucht: * Een
soort peer (?, zie anguwissen). 1.15
kernel, kernellen (pl)- znw, deel ve vrucht:
'pit' 1.15
keruen- ww: 'insnijden', 'kerven' 1.24 ketele- znw, keukengerei: 'ketel', 'kookpot' Van
metaal. 2.25
kiekene (pl)- znw, gevogelte: 'kuikens' 2.13,
2.inhoud laerderen, lartderen, larderen (gelaerdeert)- ww: 'larderen',
Besteken
met
dunne spekreepjes of bekleden met lapjes spek. 1.11, 1.12,
2.3, 2.8,
2.16, 2.20 laerdeyt- znw, gerecht: * Naam van een
gerecht met gekookt, gestampt, opnieuw gekookt en vervolgens gelardeerd en
geroosterd varkensvlees. 2.3, 2.inhoud laert, laerds- znw, vlees: 'spek' 2.8,
2.9, 2.21 lammere (pl), lammeren (pl)- znw, dier: 'lammeren' 2.9,
2.inhoud lanx- bw: 'overlangs' 1.24,
2.6 lecker, leckers- znw: 'lekkerbek' 2.23,
2.inhoud lemmoegen (pl)- znw, gevogelte: 'fazant' 1.12 leple, lepel, lepele- znw: 'lepel' Hoeveelheid.
1.26,
2.23, 2.25,
2.28 lettel- bw: 'weinig', 'een beetje' (passim) leuere- znw, orgaanvlees: 'lever' In deze
tekst steeds van een vis. 1.16,
1.19, 2.17 lichame- znw: 'lijf', 'lichaam' 1.11,
2.27 liden- ww: 'passeren' In de zin van "door
een zeef laten lopen". 1.7, 1.8,
1.9, 1.23,
2.16, 2.20
liese- znw, deel ve dier: 'net' Buikvlies. 1.25
loesengen (pl), loezengen (p)- znw: * 'pastilles'
Ruitvormige
snoepjes. 1.22, 1.inhoud lombardien- znw, eigennaam: 'Lombardije' Landstreek
in Noord-Italië, bij uitbreiding: Italië. taerten
van lombaerdien looc, looke- znw 1.
kruid: 'knoflook' 2.14, 2.17
2. gerecht: 'knoflooksaus' 2.17
groenen looke- Groene saus met zuring en
knoflook. 2.14, edel
looc- Saus met amandelen en saffraan. Knoflook wordt niet genoemd,
maar wordt misschien geïmpliceerd door de naam van de saus. 2.28 lijnwaet- znw: 'linnen doek' 2.25
malen (gemalen)- ww: 'vermalen' 2.10
mastic- znw, specerij: 'welriekende hars van de
mastikboom' 1.33
matten- znw: 'spijs' Het MNW geeft deze
betekenis van "mat" met de opmerking dat het niet zeker is dat er een
zefstandig naamwoord met deze betekenis in het mnl heeft bestaan. Deze tekst
lijkt mij een bewijs daarvoor. 1.26
meel, mele- znw: 'bloem' wit meel, wit
mele- 'witte tarwebloem' 1.18, 1.21,
2.2 melk, melke, melc- znw: 1.
'melk' 1.8,
1.22, 1.29,
2.6, 2.23 2.
'amandelmelk' amandelen melke 1.26 melc
van rijse- rijs melke Zie ook: scapin
melc mingen, mingelen- ww: 'mengen' 1.15,
1.26
moelgen, moelgon- znw, gerecht: 'lekker hapje'
Het MNW
heeft alleen de vorm "moelie", maar noemt wel "molge" en
"mulge" als middelnederduitse vormen. 2.25,
2.inhoud
mortier- znw, keukengerei: 'vijzel' 1.3, 1.7,
1.27, 1.28,
1.33, 2.11
mortroel- znw, naam ve gerecht: Amandelbroodpap
met witbrood. 1.17, 1.inhoud
mostaerde- znw: 'mosterd' 1.15
muerwen- bnw: 'week', 'zacht' 2.17
murzele- znw, keukengerei: * 'vijzel' 1.9
nagel, nagle, naglen (pl)- znw 1.
specerij: 'kruidnagel' 1.15, 1.32,
1.33, 2.12 2.
deel ve dier: 'nagel', 'klauw' 1.4 nagelkin, nagelkins (pl), nagelkine- znw, specerij: 'kruidnagel'
Verkleinwoord
van nagel. 1.7, 1.9,
1.20, 2.13 nap- znw, keuken- of tafelgerei: 'drinknap',
drinkbeker' 2.15
olyen- znw, kookvet: 'olie' 1.22 onghequetst- bnw: 'onbeschadigd', 'gaaf' 1.6
onsse, onssen, onse: znw, maat: 'ons' Dit was
1/16 deel van een pont, dus bijna 27 gram (VH). 1.31,
1.32, 1.33 ontkeeren- ww: 'bederven' 1.11
paeldinc- znw, vis: 'paling' 2.19,
2.inhoud paeu, paeuw, pauwen - znw, gevogelte: 'pauw' 1.11,
1.inhoud panne- znw, keukengerei: 'pan', 'braadpan' 1.22,
1.26, 2.15,
2.28 pareidenloke- znw, groente: 'prei' 1.13 partrijse, pertrijse, partrisen(pl), pertricen (pl),
pertrijsen (pl), pertriten (pl)- znw, gevogelte:
'patrijs' 1.23, 1.28,
1.inhoud, 2.20,
2.inhoud pastey, pasteyen- znw, gerecht: 'pastei', Een bak
van deeg met een vulling, in de oven gebakken. 1.10,
2.2, 2.inhoud pelle- znw, deel ve vrucht: 'schil' 1.6
pellen (gepelt)- ww: 'schillen' Van vruchten, noten en eieren.
1.16,
2.6, 2.28 pentenine- znw, naam ve saus: Serrure
verbeterde dit in peteuinne. Dit zou saus 'Poitevin' kunnen
betekenen. 1.15
peper, pepre, pepers, pepere- znw: 1.
specerij: 'zwarte peper' In korrels of gemalen. 1.2,
1.3, 1.13,
1.20, 1.25,
1.31, 2.5,
2.12, 2.13,
2.15, 2.16,
2.19, 2.20,
2.23, 2.27
2.
peper, pepere- gerecht: 'pepersaus' Een
meestal donkere, goed gekruide saus. 1.12,
1.32, 1.inhoud,
2.12, 2.18,
2.inhoud
bruijn pepere- 'bruine pepersaus' 2.21 pertrijse, pertricen, pertriten- partrijse
petercellen, pedercelle- znw, tuinkruid: 'peterselie' 1.2,
1.15, 2.9,
2.15, 2.19
pipefarsen- znw, gerecht: * 'gevulde pijpjes'
1.inhoud
platteel, platteele- znw, tafelgerei: 'platte schotel'
Schotel
van aardewerk JSvW. 1.9, 1.16,
1.26, 2.5,
2.10
pluymen- ww: 'plukken', 'ontdoen van veren' 1.11
pluymen- znw, deel ve dier: 'veren' 1.11
pochieren, pocheren (gepochiert)- ww: 'pocheren' 1.8,
1.25, 1.inhoud
poelge, poelgen- znw, gevogelte: 'jonge kip' 1.1,
1.3, 1.inhoud
polioene, polioens, polyoene- znw, kruid: 'polei'
Een
muntsoort. 2.22, 2.inhoud pont- znw, maat: 'pond' Dit is 430 gram (Gents pond,
VH).
1.23, 1.31
pot, potte- znw, keukengerei: 'kookpot van aardewerk, steen of metaal'
1.1, 1.14,
1.16, 2.4,
2.11, 2.22,
2.24, 2.25,
2.inhoud - eerdinen pot- 'aardewerken pot'
1.7
poudere- znw: 'poeder' 1.33,
2.23
pouderen, poudoren- ww: 1.
'fijnmaken' Lett. 'tot poeder
maken'. 1.16, 1.24
2. 'bestrooien'' 1.27,
2.12, 2.23
pricken- znw, vis: 'prik' ofwel 'lamprei'
Er zijn zout- en zoetwaterprikken. 1.31,
1.inhoud
prieme, priem- znw, keukengerei: 'priem' 1.11,
1.28 houten
priem, priem van houte- 'houten priem' 1.24,
2.3 priemken-
'priempje' 1.25 houten priemkens,
priemken van houte-
'houten priempje(s)' 1.19, 1.28
pynneke- znw, keukengerei: 'pinnetje', 'steker' 1.6
pype- znw: 'bladsteeltje'?, 'pepermunt (het
snoepje)' ? Betekenis hier niet duidelijk. 1.33
pypes, pipes, pipesen, pypesen- znw,
gerecht: 1. 'pijpjes' Langwerpige, holle
koekjes. 1.21, 1.inhoud,
2.2 2.
* Naam van een gerecht van
in stukken gesneden capoen met gehakt vlees en hardgekookte eieren verpakt in
deeg en gefrituurd. 2.5, 2.inhoud quaerten- znw, maat: Volgens MNW twee
pinten, dat is 1,17 liter. 1.32
rasspeyte, raspeyte- znw, gerecht: * Naam voor een saus met
rozijnen
bij jonge
kip in de zomer. Misschien verwant aan Oudfrans 'raspure' (ontpitte druif)? 1.1, 1.inhoud rechten- ww: 'opmaken' Van een schotel. 2.29
reene- bnw: 'schoon', 'zonder ongerechtigheden' 1.15
reyger- znw, gevogelte: 'reiger' 1.12 roede- znw, deel ve dier: 'penis' 2.23,
2.inhoud roffioele, roffioelen (pl)- znw, gerecht: 'klein gevuld pasteitje'
Zoiets als de Spaanse empanadilla(?) 1.3,
1.27, 1.inhoud
Gehaktballetjes in schapennet. 1.25 roomen- ww: 'stremmen' Het MNW geeft
als betekenis -met deze vindplaats- "room afscheiden". Toevoeging van
een zuur medium als wijnazijn laat melk (en blijkbaar ook amandelmelk) echter
stremmen. 1.26
roosten- ww: 'roosteren', 'op een rooster
braden' 1.4
roostere- znw, keukengerei: 'rooster' 1.19
root- bnw: 'bruin' Van het bakken. 1.25
rosijnen- znw, vrucht: 'druif', 'rozijn' rosijnen
van ouerzee- 'rozijnen' 1.17
rou, rau, rauwe- bnw: 'rauw' 1.25,
1.28, 2.8,
2.13 roudet- Verschrijving voor rondet- ronden
rugghen- znw, ve vis: 'filet' Van de rug. 1.18
rusoles (pl)- znw, gerecht: * 'rissoles' Klein
gerecht van gevuld bladerdeeg of flensjes, synoniem van roffioelen.
1.inhoud
rijs melke, melc van rijse- znw: *
'rijstemelk' Onduidelijk wat dit precies is. Het WNT geeft als
betekenis: 'rijstepap'. Misschien wordt er het week- of kookvocht van de rijst
bedoeld? 2.4, 2.11
rijvissce- znw, vis: 'zeebaars' Zeevis. 1.27
-S-
sc=sch sackelkyn- znw, keukengerei: 'zakje' Een
puntvormige zakje waarin de specerijen werden gelegd. De wijn werd over de
specerijen gegoten. 1.33
saelye- znw, kruid: 'salie' 2.15
salm, salmen- znw, vis: 'zalm' 1.13,
1.19, 1.28
zalmen- 'zal men' En niet: 'zalm'! 2.17 sauderen (gesaudeert)- ww: 'hechten', 'vastmaken' 1.19
sausse, saussen, sause- znw, gerecht: 'saus' 1.15,
1.23, 1.inhoud,
2.9, 2.16
saysoen- znw: 'seizoen' 1.inhoud
scape- znw, dier: 'schaap' 1.25
scapin- bnw: 'van een schaap' scapin
roede- 'schapenpenis' 2.23, 2.inhoud scapin
melc- 'schapenmelk' 2.25
schelle- znw, onderdeel ve dier: '(vis)schub' 1.7
schelvissche- znw, vis: 'schelvis' Zeevis.
1.16
scerven (gescerft)-ww: 'fijnsnijden' 1.13
scouden- ww: 'broeien' Begieten met heet
water na de slacht van een dier om er makkelijker de borstels of veren af te
krijgen, 2.12 of het vel van een
vis. 2.18
scouder, scouderen- znw, deel ve dier: 'schouder' 1.11,
1.20
scuetele, scuetelen, schotelen, scotelen- znw, tafelgerei: 'schotel' 1.2,
1.30, 2.2,
2.25, 2.inhoud scuymen (gescuymt)- ww: 'afschuimen' 1.15
zeem- znw: 'honing' Speciaal honing die vanzelf
zonder persen uit de honingraten is gevloeid, ongepijnde honing. 1.15 zeevisch- znw: 'zeevis' 1.19,
2.17, 2.inhoud
zenuwe- znw, deel ve dier: 'spier', 'pees',
'zenuw' 1.9
settet ... off- 'haal het van het vuur' 2.24,
2.27
seueye- znw, gerecht: Naam van een saus bij
baars. Volgens het MNW een uiensaus, maar in dit recept komen een uien voor. In
het recept zelf heet deze saus "chiueye". 2.inhoud
sextier- znw, maat: * 'ongeveer 46,8 liter' Volgens
VH is één "sextier" gelijk aan 40 "mengel", is
één "mengel" gelijk aan een halve "stoop", één
"stoop" gelijk aan 1/16 "anker", één "anker"
gelijk aan een kwart "aam", en bij een aam vinden we dan eindelijk de
omrekening naar het metrieke stelsel: één "aam" is ongeveer 150
liter. 1.33
sieden, zieden (gezoden, gesoden)- ww: 'koken'
In vloeistof, ook in
vloeibaar vet (passim) zieden
in eenen wal- 'één keer opkoken', 'blancheren' 2.23 slaen (gheslegen)- ww: 1.
'loskloppen' Van eieren. 2.1,
2.2, 2.6
2. 'hakken' 2.9
smout, smoute, smouts- znw, kookvet: 'dierlijk en plantaardig vet of olie' 1.4,
1.6,
1.12,
1.22, 2.2,
2.16, 2.18,
2.26, 2.29
wallende smout- 'kokend vet' 1.10,
1.18,
2.1, 2.6
smout vanden scape- 'schapenvet' 1.25
barghijn smout, barghin smout-
'varkensvet' 1.1, 2.4
witten barghijn smoute- 'vers vet
spek' 2.5
wit smout- 'wit vet' 2.28
snouk, snouken- znw, vis: 'snoek' Zoetwatervis. 1.7,
1.10, 1.18,
1.27
snijden (gesneden)- ww: 'snijden' 1.4,
1.6, 1.7,
1.10, 1.16,
1.17, 1.18,
1.20, 1.22,
2.8 zoetelike- bw: 'met mate' (MNW) 1.7
soffraen, sofraen, soffrane- znw, specerij: 'saffraan' 1.3, 1.7,
1.8, 1.9,
1.13, 1.14,
1.15, 1.16,
1.17, 1.18,
1.20, 1.23,
1.27, 1.29,
1.31, 2.7,
2.8, 2.9,
2.10, 2.19,
2.20, 2.23,
2.25, 2.27,
2.28, 2.29 sop, sope, sap, zope- znw, vloeistof: 'vocht', 'nat' 1.13,
2.14, 2.19 sout, zout, zoute- znw, specerij: 'zout' 1.3,
1.13, 2.13 souten, zouten- ww: 'zouten' 1.7,
1.8, 1.27,
2.7
soveyen- znw, gerecht: Naam voor een groene saus met
peterselie bij kapoen. Aldus opgenomen in het MNW (met als enige
vindplaats dit recept). Echter, de receptenlijst aan het eind van het eerste
hoofdstuk, en recept 2.29 (ook voor een
-dit keer witte- saus bij kapoen) hebben geueyen als naam
voor dit gerecht. "soveyen" kan een verschrijving hiervoor zijn. 1.2
speten- ww: 'aan het spit rijgen' 1.11
spit- znw, keukengerei: 'draaispit' 1.24,
1.28
spouwen- ww: 'fileren', 'opensnijden' 1.7
Omdat in dit recept gelei wordt gemaakt werd de vis waarschijnlijk niet gefileerd maar
alleen opengesneden en schoongemaakt.
spijc- znw, kruid: 'lavendel' 1.331.33 spijse
- znw: 'voedsel', 'eten' titel staert, steert- znw: 1.
deel ve dier: 'staart' 1.11 - 2.
deel ve vrucht: * 'steel' Van een appel. 1.6 stampen (ghestampt)- ww: 'fijnstampen' In een vijzel. 1.16,
1.21, 1.23,
2.2, 2.3,
2.26 steen, steenen (pl)- znw, deel ve vrucht: 'pit' 1.15,
1.17 stermijse, stemize, stemyse- znw, keukengerei:
'zeef', 'zeefdoek' 1.7, 1.8,
1.23, 2.16,
2.20 sticke, sticken (pl)- znw: 'stuk', 'brok' 1.7,
1.16, 1.25,
2.9 - met sticken: 'in stukken gesneden' 1.1 stoten (gestoten)- ww: 'fijnstampen' In een vijzel. 2.4,
2.28 stroyen- ww: 'strooien' 1.16,
2.5 struve, struwen- znw, gerecht: 'dunne pannekoek' 1.18,
1.inhoud stuer- znw, vis: 'steur' Vooral zoetwatervis.
1.30, 1.inhoud
suker, sukere, sukers- znw, specerij: 'suiker' 1.14,
1.15, 1.22,
1.26, 1.28,
2.4, 2.5,
2.11, 2.24,
2.25, 2.26
suker ghesmolten, ghesmolten sukere- 'suikerstroop' 1.5,
2.1, 2.6,
2.11
sukers wit- 'witte suiker' 1.33 sukeren (ghesukert)- ww: 'met suiker bestrooien' 1.6,
1.24 surkele- znw, kruid: 'zuring' 2.14
swane- znw, gevogelte: 'zwaan' 1.20
swanen hals- 'zwanenhals' 1.inhoud zweerden- znw, deel ve dier: 'huid bedekt met
haar, borstels of veren' 1.24
swijne beene, swijnen beenen, zwijne beene,
zwijnen beenen - znw, deel ve
dier: 'varkenspootjes' 1.3,
1.4, 1.inhoud
zwijnen rebben- znw, vlees: lett. 'varkensribben', 'spareribs' 1.10
swijnen smoute- znw, kookvet:
'varkensvet' 2.2
swijnen vleesche, zwijnen vleesche- znw, vlees:
'varkensvlees' 1.20, 2.13
taerte, taerten- znw, gebak: 'taart' 1.22
taerten van lombaerdien- 'hartige
taart uit Lombardije' 1.10, 1.inhoud tafle, taflen- znw: 'tafel' 1.11,
1.24 talven- ten halve frase: 'halfgaar' 1.1
te puente, te poynte- frase: 'zodanig dat' 1.11
temperen (ghetempert)- ww: 'vermengen'
Meestal door
toevoeging van vocht. (passim) tieren (getiert)- ww: * 'fijnstampen'
Verwant met
Latijn tero, trivi, tritum, "wrijven". 1.32
tinke, tincken- znw, vis: 'zeelt' Zoetwatervis. 1.7,
2.18, 2.19,
2.inhoud uut, vut, huut, hute- bw/vz: 'uit' vaersel, vaerzele, faersel, faersele, tfaerzer- znw: 'vleesvulling'
Mengsel van fijngehakt gaar vlees, eventueel met specerijen en /of eieren.
1.3,
1.4, 1.5,
1.6,1.19,
1.20, 1.25,
1.28, 1.inhoud,
2.1, 2.2,
2.3, 2.5,
2.6, 2.13,
2.27 vaersen (ghevaerst)- 'vullen', 'farceren' 1.3,
1.5, 1.6,
1.inhoud, 2.6,
2.13, 2.23,
2.inhoud vastbinden- ww: 'vastbinden' 2.25
vastene, vastenen- znw: 'vastentijd' Vooral
de veertig dagen vanaf Aswoensdag tot Pasen, maar ook de woensdagen, vrijdagen
en zaterdagen in de Quatertemperweken: perioden waarin het eten van vlees en
dierlijke producten en zuivel was verboden. Tijdens "normale" weken
was op -meestal- woensdagen, vrijdagen en zaterdagen vlees verboden, maar zuivel
was wel toegestaan (JSvW). 1.16,
1.17, 1.22,
Tussentitel, 1.inhoud vasten struven- znw, gerecht: 'pannekoek
in de vastentijd' Dus zonder eieren. 1.18
venkele- znw, kruid: 'venkel' Waarschijnlijk het
venkelzaad. 1.30, 1.inhoud venysoen- znw, vlees: 'wildbraad' 2.8,
2.inhoud vercoelen, coelen (vercoelt)- ww: 'afkoelen' 1.5, 1.7,
1.9, 1.10,
1.13, 1.15,
1.22, 1.26,
2.3, 2.7,
2.20, 2.25
verdecken (verdeecht) - ww: 'afdekken' 1.6 vel- znw, deel ve dier: 'vel', 'huid' 1.20,
2.13 velthoen- znw, gevogelte: 'patrijs', maar ook
'fazant' 1.12 vergaderen- ww: 1.
'samenbrengen' 1.19
2. * 'stevig worden' In
de betekenis van "gaar worden" (?) 1.28 verjuse- znw: 'verjus' Sap van zure, onrijpe
druiven. 2.10, 2.17 verkin- znw, dier: 'varken' 2.12,
2.inhoud vermuheeren- ww: * 'verstoren' ??
Betekenis niet duidelijk. In WNT vermuieren 'vermengen met
ingrediënten van mindere kwaliteit'. 1.11 verstropen- ww: 'afstropen' 1.4
verwallen (verwallen)- ww: 'koken', 'verhitten' 1.11,
1.13,1.19,
1.25, 2.16,
2.inhoud vier, fier, tvier, viere, tfier- znw: 'vuur',
Het open vuur waarboven en
-voor werd gekookt. 1.4, 1.11, 1.13,
1.23, 1.25,
1.28, 2.4,
2.28, 2.29
cleen vier- 'laag
vuur' 1.20 vierendeel- znw: 'kwart' vierendeel
pont- 'kwart pond' ofwel 107,5 gram (zie pont) 1.31,
1.32, 1.33
vierdonc- znw, maat: 'het vierde van een mark' Een
"marc" is volgens het MNW een half pond (8 middeleeuwse
"onsen"), dus een "vierdonc" zou een gewicht van 54 gram
zijn. VH geeft echter aan dat een Vlaamse mark 6 "ons" woog,
een "vierdonc" zou dan ongeveer 40 gram zijn. 1.33
vinckelsaet- znw, kruid: 'venkelzaad' 1.15
vinger, vingeren (pl)- znw, maat: 'vingerlengte' 6 à 7 cm. 1.19 visch, vissche, visschen (pl)- znw: 'vis', Neutraal.
1.7, 1.19,
1.27,
1.inhoud, 2.17 viuees, viues- znw: * Naam van een gerecht van
gehaktballetjes in schapennet. 1.25,
1.inhoud vladen (pl)- znw, gerecht: * 'gevuld
deeggebak' 2.inhoud ghesoden vladen-
Gefrituurd
deeg met een vulling van verse kaas en eidooiers. 2.26
vleesch, vleessche- znw: 'vlees' Neutraal. 2.2,
2.13, 2.27
- barghin vleesch- 'varkensvlees' 1.3,
2.3 swijnen vleesche, zwijnen
vleessche- 'varkensvlees' 1.20, 2.13
wederin vleesch- 'hamel vlees' 2.22
voet- znw, deel ve dier: 'voet' 1.9
vullen (ghevult)- ww: 'vullen' 1.4,
1.5, 1.6,
1.20, 2.2,
2.6, 2.26 vut wringhen (vut ghewronghen)- ww: '' uitwringen' 2.14
vyge, vigen(pl), vygen (pl)- znw, vrucht: 'vijg' 1.15,
1.17, 1.18,
1.27 waermoes, warmoes- znw: 'bladgroenten' 1.13,
1.inhoud wallen (gewallen)- ww: 'koken' water, maar ook vet 1.4,
1.8, 1.10,
1.18, 1.29,
2.1, 2.3,
2.6
water, watere- znw, vloeistof: 'water' (passim) zoeten
watre- 'zoetwater' 2.17 weder- 1.
bw: 'weer', 'opnieuw' 2. znw,
dier: 'hamel' Gecastreerde ram. 2.inhoud wederin- bnw: 'van een hamel' 2.22
wel- bw: 'goed', 'grondig' wintelen, wyntelen- ww: 'wentelen',
'doorhalen' 1.5,
2.1, 2.6,
2.26 witte, witten- bnw: 'wit' witte
worsten, witten barghijn smoute, wit
smout witte-znw: 1.
'het witte deel' (hier van prei) 1.13 2.
'het witte vlees' vVn gevogelte 2.4,
of vis 2.11 3. 'eiwit'
2.6, 2.29 wittebrood, witte broode, witte broods-
broot worst, worsten- znw, vlees: 'worst' 1.inhoud - witte worsten 'witte worsten'
Uit
rec.1.18 blijkt dat de vulling voor de "worsten" in een dun deegvel
wordt gewikkeld, waarna dit wordt gekookt (soort canelloni). Met vleesvulling: 1.3
Of met visselever: 1.19 worttelen (pl)- znw, deel ve plant:
'wortels' worttelen van pedercelle- 'peterseliewortels' 1.15
wriven, wrijven, wryuen (ghewreuen)- ww: 1.
'fijnwrijven', fijnstampen in de
vijzel' (passim) 2. 'uitrollen' Van
deeg. 1.22 wijn, wijns, wijne, wine- znw, vloeistof: 'wijn' (passim) wijnasijne, wijn asijn, wijn asyne- asijn A
Deze pagina is voor het
laatst bijgewerkt op
15-09-09. |