Inleidende teksten, bewerkingen en foto's van gerechten zijn eigendom van Coquinaria en mogen niet zonder toestemming en bronvermelding worden overgenomen.

Home Page

Historisch koken

Meer recepten

Printversie van het recept aardbeiensoufflé .Printversie van het recept muntsoufflé

 recept november/december 2005
Gebakken lucht: Soufflés.
Twee recepten van Carême.
English version of this recipe

Portre van Antonin Carême

Bij een feestmaal is het dessert de kroon op het werk. Een nagerecht moet van goeden huize komen wil het na al het culinaire geweld dat de eter al heeft ondergaan nog begeerte opwekken. De honger is verdwenen, wat rest is pure lustbevrediging. 

De recepten voor deze maanden zijn voor zoete soufflés, een aardbeiensoufflé en een muntsoufflé. Ze zijn afkomstig van de beroemde Franse kok Marie-Antoine Carême (1783-1833), ook wel Antonin ("Toontje") genoemd.

Het leven van Antonin Carême.
Zijn leven kende een moeilijke start, maar werd een succesverhaal: hij was geboren in een zeer kinderrijk maar arm arbeidersgezin. Toen hij tien jaar was werd hij in Parijs op straat gezet en moest hij verder maar voor zichzelf zorgen. 
Na een leerperiode van zes jaar in een restaurant werd hij ontdekt door de grote banketbakker Bailly. Bij hem leerde hij verder voor patissier, maar hij werd ook in staat gesteld te leren lezen en schrijven. 
Na twee jaar werd hij opnieuw ontdekt, dit keer door de staatsman Talleyrand. Hij kwam bij hem in dienst als patissier, en leerde ondertussen van zijn chefkok Boucher het koksvak. Hij heeft er onder andere voor Napoleon Bonaparte en voor koning Lodewijk XVIII gekookt.
Na twaalf jaar vertrok Carême naar Engeland, waar hij een paar jaar voor de prins-regent (zoon van koning George III, de latere George IV) kookte. 
Engeland viel hem echter tegen, en in 1818 was hij weer terug in Parijs. Voor even maar, want zijn volgende baas was tsaar Alexander. Maar ook Rusland kon hem niet bekoren. 

Na een verblijf in Wenen keerde Carême in 1823 definitief terug naar Parijs. Hij trad er in dienst van het echtpaar James (1792-1868) en Betty Rothschild (1805-1886, zie het portret links). Zijn culinaire kunsten droegen in hoge mate bij aan de sociale acceptatie van de Rothschilds in de hogere Parijse kringen. 
In 1833 overleed Carême na een lang ziekbed, waarschijnlijk veroorzaakt door tuberculose en langdurige blootstelling aan koolstofmonoxide, aan de gevolgen van een beroerte. In die tijd heerste er een hevige cholera-epidemie in Parijs. Zijn stoffelijk overschot werd in de nacht zonder ceremonie begraven op het nieuwe kerkhof Montmartre (geopend in 1825), dat al behoorlijk vol raakte met de overvloed aan cholera-slachtoffers. Een grafsteen werd pas jaren later geplaatst, men wist eerst niet eens waar hij precies lag.

Titelblad van de 2de editie van "Le Pâtissier Royal"

De kookboeken van Carême.
Carême heeft een aantal kookboeken gepubliceerd. 
De eerste twee gaan over zijn eerste liefde, de patisserie:
Le Pâtissier Royal Parisien ou Traité Elementaire et Pratique de la Pâtisserie Ancienne et Moderne en Le Pâtissier Pittoresque, beide in 1815 gepubliceerd. Behalve recepten staan er ook afbeeldingen in, ontwerpen van architectonische constructies in suikergoed. Hoe serieus Carême zijn suikerarchitectuur neemt blijkt uit de illustraties achterin de Pâtissier Pittoresque, waar hij duidelijk de verschillen tussen bijvoorbeeld Ionische, Dorische en Corintische zuilen illustreert. Hij zag pâtisserie dan ook als één van de uitingen van architectuur. Overigens moet je bij "pâtisserie" denken aan banket in de ruime zin des woords: ook hartige gerechten als pasteien vallen hieronder.
In 1822 laat hij zien dat hij niet alleen een banketbakker is maar ook kok, met de publicatie van Le Maître d'Hôtel Français, ou parelle de la cuisine ancienne et moderne, considérée sous le rapport de l'ordonnance des menus, selon les quatre saisons. Dit bevat een overzicht van de maaltijden die Carême in de voorgaande jaren in Parijs, St. Petersburg, Londen en Wenen aan belangrijke personen had voorgezet. 
Het volgende kookboek van zijn hand verschijnt in 1828, Le Cuisinier Parisien. Hierin worden gerechten voor het koud buffet uitgewerkt, zoals aspic en chaudfroid. 
De laatste jaren van zijn leven was Carême al ziek, maar hij zwoegde aan de voltooiïng van zijn meesterwerk L'Art de la cuisine français au 19ème siècle. Dit encyclopedische werk over de klassieke Franse keuken telt vijf delen. De eerste drie delen verschenen in 1833, de laatste twee delen zijn uiteindelijk na zijn dood aan de hand van zijn aantekeningen voltooid door Plumerey, een vriend en collega-kok. (Deze gegevens zijn ontleend aan zijn biografie, getiteld Cooking for Kings).  

Als je ziet voor wie hij in zijn loopbaan allemaal heeft gekookt is het terecht dat men hem "le cuisinier des rois et le roi des cuisiniers" (kok van koningen, en koning van koks) noemt. 
Overigens valt het me op dat weinigen de ironie inzien van een grote kok met de achternaam "Vasten", want dat is de betekenis van het Franse woord carême.

Soufflé: een gerecht met een handleiding.
Terug naar de soufflé. Beide recepten komen uit Le Pâtissier Royal. Ze zijn voor zoete soufflés die warm worden geserveerd, maar er zijn ook hartige soufflés, en soufflés die koud worden opgediend. 
Ik heb twee verschillende soufflérecepten genomen, om de twee basismengsels voor soufflé te laten zien. 
De eerste soufflé is op basis van vruchtenmoes, zonder vet en eidooiers. Dit levert een lichte, luchtige soufflé op, die wel snel inzakt. De tweede soufflé is op basis van melk of room die gebonden wordt met rijst of (moderner) een roux met tarwebloem, en eidooiers. Deze soufflé zakt niet zo snel in, maar is wel een stuk machtiger.
Carême was niet de eerste die recepten voor soufflés in zijn kookboeken opnam, maar wel één van de eersten. Het gerecht "soufflé" is een Frans bedenksel uit het eind van de achttiende eeuw. Antoine Beauvilliers (1754-1817), ooit kok bij koning Lodewijk XIV en later eigenaar van het eerste echte restaurant in Parijs, "Le Grand Taverne de Londres" (sinds 1783), heeft in zijn carriëre menige soufflé geserveerd, hoewel zijn L'Art du Cuisinier met de eerste soufflé recepten in druk pas in 1814 verscheen.
Voor Carême was de soufflé "la reine de la pâtisserie chaude, ancienne et moderne" (de koningin van het warme gebak, van vroeger en nu). In zijn tijd werd een soufflé niet in een soufflévorm bereid, maar in een deegbak (croustade), bekleed met beboterd papier. Deze deegbak werd bij voorkeur van te voren gebakken. In de bewerking van de recepten heb ik de croustade buiten beschouwing gelaten, maar Carême hechtte veel belang aan de correcte bereiding ervan. Bovendien werden niet alleen soufflés in zo'n deegbak opgediend, maar ook pasteien. Le Pâtissier Royal begint dan ook met een uitgebreide verhandeling over de bereiding van de verschillende soorten deeg, te beginnen met bladerdeeg voor bijvoorbeeld pasteitjes (pâte feuilletée). Onderaan deze pagina staat een korte indruk van hoe Carême de bereiding van bladerdeeg en korstdeeg voor warme pasteien beschreef.
In de receptuur kun je duidelijk zien dat soufflés lastige gerechten zijn om te bereiden. Als je niet uitkijkt, serveer je namelijk niet een trots opgeheven soufflé, maar een zielig ineengezakt prutje, en geen viagra die daar nog wat aan kan doen. Bij de soufflés op basis van vruchtenmoes adviseert Carême om voor het vervoer van de keukenoven naar de eetzaal een draagbare veldoven te gebruiken die met gloeiende as wordt verhit. De soufflés worden daarin tochtvrij en warm gehouden.

Er zijn een paar zaken waar je bij het bereiden van soufflé op moet letten: 1. Gebruik liever een bredere, lagere schaal dan een smalle hoge, zeker als je één grote soufflé voor meer personen maakt. Ik geef er de voorkeur aan kleine, individuele soufflébakjes te gebruiken. 2. Waag het niet om tussendoor de ovendeur te openen! 3. Laat de soufflé bij matige hitte goed gaar worden. 4. Dien de soufflé zo snel mogelijk op. 5. Zorg tijdens het vervoer van oven naar tafel dat dit zo warm en tochtvrij mogelijk gebeurt. 

Soufflé Parisien aux fraises.

De oorspronkelijke tekst van het recept, zoals gevonden in Le Patissier Royal Parisien ou Traité Elementaire et Pratique de la Patisserie Ancienne et Moderne, tweede editie, 1828, pp. 364-365.

Soufflés Parisiens aux fraises
Après avoir épluché un beau panier de belles fraises et de bon fruit, vous les écrasez. Vous les passez en purée à l'étamine fine; vous mêlez une livre et demie de sucre en poudre avec dix-huit blancs d'oeufs foutés bien fermes. Lorsque le tout et bien amalgamé, vous ys mêlez la purée de fraises parfaitement incorporée. Vouz verser l'appareil dans une croustade comme à l'ordinaire; vous terminez l'opération de même de ci-dessus. On procédera de la même manière pour faire des soufflés de framboises, de groseilles, de prunes de reine-claude et de mirabelle.
Comme ces sortes de soufflés sont très-susceptibles à la cuisson, on les fait encore de la manière suivante: On prépare la moitié de l'appareil des soufflés français décrits précédemment; mais on n'y met que huit jaunes d'oeufs et peu de sucre. Ensuite vous mettez cet appareil avec l 'une des trois recettes décrites ci-dessus; mais vous ne mêlez tout qu'apres avoir préparé entièrement le soufflé comme pour entrer au four. Le soufflé aux framboises se prépare de même qui celui-ci.
Parijse soufflé met aardbeien.
Na een flinke mand mooie aardbeien en goed fruit te hebben schoongemaakt, maakt U ze fijn. U draait er puree van in een fijnmazige zeef, mengt er anderhalf pond poedersuiker door met achttien goed stijfgeklopte eiwitten. Als dit alles goed vermengd is, roert U er de aardbeienpuree door tot deze volledig is opgenomen. U giet het preparaat in een korst zoals gebruikelijk, U maakt het af zoals hierboven beschreven is. Op dezelfde manier maakt men soufflé van frambozen, aalbessen, reine-claudes en mirabellen.
Omdat dit soort soufflés erg gevoelig is wat betreft de kookmethode, maakt men ze ook wel op de volgende manier: Men bereidt de helft van het preparaat voor franse soufflés zoals eerder beschreven, maar men doet er slechts acht eidooiers in en een beetje suiker. Vervolgens voegt U dit preparaat bij één van de hierboven beschreven drie recepten, maar U mengt het pas als de soufflé helemaal is bereid tot het moment dat hij de oven ingaat. De soufflé met frambozen wordt op dezelfde manier bereid.

In mijn bewerking van het soufflégerecht heb ik de eerste beschreven methode gebruikt. Het levert een heerlijk lichte soufflé op. De tweede methode wordt hieronder héél uitgebreid beschreven in het andere soufflérecept. Op de foto hier rechtsonder zie je zes éénpersoons aardbeiensouffléetjes, door de ovendeur heen gefotografeerd.
Deze aardbeiensoufflé is werkelijk heel makkelijk te maken, en niet al te zwaar als desssert. Voor zes tot acht personen.

Aardbeiensoufflé in individuele potjes, in de oven.

Ingrediëntenlijst:
250 gram aardbeien (ruik ze voor je ze koopt: geen geur, geen smaak)
100 gram suiker
5 eiwitten
poedersuiker
souffléschotel met een inhoud van 1½ liter

Voorbereiding:
Splits de eieren.
Pureer de schoongemaakte aardbeien in een blender en doe 50 gram suiker erbij. Proef, en doe er eventueel nog wat suiker bij.
Beboter de souffléschotel.

Bereiding:
Verwarm de oven voor op 175ºC.
Sla de eiwitten stijf (in pieken). Doe nu 50 gram suiker erbij en klop verder tot de eiwitten mooi glanzen. Meng een beetje van de eiwitten goed door de aardbeienpuree. Dit mengsel gaat nu bij de rest van de stijfgeslagen eiwitten. Meng even, en doe het mengsel dan in de souffléschotel. De schotel moet bijna tot bovenaan gevuld zijn.
Zet de schotel in het midden van de oven, en bak 25 tot 30 minuten. De bovenkant moet een beetje hol zijn (concaaf).

Serveren:
Strooi wat poedersuiker over de soufflé en serveer METEEN!
Je kunt hierbij enkele plakjes verse aardbei serveren, en wat geslagen room met eventueel wat reepjes muntblad.

Soufflé Français à la menthe.

De oorspronkelijke tekst van het recept, zoals gevonden in Le Patissier Royal Parisien ou Traité Elementaire et Pratique de la Patisserie Ancienne et Moderne, tweede editie, 1828, p.361 en 353-355. Het is een gruwelijk lang verhaal, dat in de bewerking gelukkig korter kan worden weergegeven. Meteen naar de moderne bewerking.

Soufflé français à la menthe.
Ayez de la menthe frisée et fraîchement cueillie; vous la mettez dans le lait presque en ébullition, avec le zeste d'un citron coupé très légèrement. L'infusion étant faite, vous la passez à la serviette, et vous terminez l'opération. Voyez-en les détails dans le premier article de la chapitre.
Franse soufflé met munt. (p.361)
Neem  versgeplukte kruizemunt (Mentha spicata var. crispata). Doe het in de bijna kokende melk, met de heel fijngehakte schil van een citroen. Als het aftreksel klaar is, zeeft U het door een doek en maakt U het recept af. Zie voor de details het eerste artikel van het hoofdstuk.
Soufflé français à la vanille.
Ayez douze verres de bon lait bouilli, dans lequel vous jettez deux gousses de vanille. Le lait étant reduit d'un quart, vous le passez à la serviette dans une grande casserole, et, pendant  que l'infusion se fait, vous lavez à plusieurs eaux tièdes une livre de riz Caroline. Ensuite vous le mettez dans une casserolée (sic) d'eau froide sur le feu, et, après quelques minutes d'ébullition, vous égouttez le riz dans un tamis. Vous le versez ensuite dans l'infusion de vanille, et le remettez sur le feu. Lorsqu'il est bien bouillant, vous placez la casserole sur les cendres rouges, afin que ce riz se crève doucement: ne mettez pas de feu sur le couvercle. Après trois quarts d'heure de cuisson, vous y joignez une livre de sucre en poudre, huit onces de beurre fin et une pincée de sel: remuez le tout parfaitement. Remettez de la cendre rouge dessous la casserole, pour faire mijoter le riz, sans discontinuer, pendant encore une bonne heure, après quoi les grains de riz doivent être doux et moelleux à la pression des doigts. Alors vous le passez promptement à l'étamine fine, comme une purée. Vous mettez ensuite cette crème de riz dans une grande casserole, que vous placez sur des cendres rouges, afin que'elle se maintienne chaude; pendant ce temps, vous fouettez seize blancs d'oeufs. Dès qu'ils sont presque assez fermes, faites ôter la crème du feu, et mêlez-y les seize jaunes d'oeufs. L'appareil doit être de la consistance d'une crème-pâtissière ordinaire, sinon vous ajoutez un peu de crème fouettée au liquide, afin de la rendre mollette convenablement. Vous y mèlez le quart des blancs, ensuite le reste. Vous mêlez cet appareil avec légèreté, comme on mèle la pâte à biscuit. Le tout étant bien amalgamé, vous versez láppareil dans une croustade (1) préparée à cet effet. Vous mettez le soufflé au four chaleur modérée, et lui donnez de deux heures à deux heures et demie de cuisson. Quand il est prèt à servir, vous mettez de la cendre rouge sur un grand plafond. Vous ôtez le soufflé du four pour le mettre dessus, afin de le soutenir. Pendant ce temps, vous le masquez de sucre en poudre, que vous faites glacer avec la pelle rouge, ou bien sans être glacé, et tout simplement masqué de sucre en poudre; puis vous le portez bien vite auprès de la salle à manger, où alors vous enlevez le soufflé avec un couvercle de casserole. Vous le posez sur son plat, qui doit être recouvert d'une belle serviette damassée. Otez les feuilles de papier qui soutiennent le soufflé, et servez-le promptement.
Ce soufflé servi de suite par l'amphitryon, est d'un moelleux parfait, et qui ne laisse rien à desirer au palais le plus délicat.
Cette crème de riz convient infiniment mieux aux soufflés, parce qu'elle à plus de consistance et qu'elle se soutient plus que la fécule de pommes de terre, et même que la farine de crème de riz et de marrons. Cependant ces farines sont aimables, sous le rapport qu'en un court espace de temps on peut marquer l'appareil du soufflé, tandis que, pour préparer la crème de riz, il faut au moins deux heures. Cela n'empêche pas que l'on doit donner la préférence à cette dernière. 
Detail de l'appareil. Douze verres de lait réduits à neuf, deux gousses de vanille, une livre de sucre, une livre de riz Caroline, huit onces de beurre d'Isigny, une pincée de sel, seize jaunes et seize blancs fouèttés.
On observa les mêmes détails et les mêmes soins pour marquer tous les appareils des soufflés qui suivent. Je vais donner une idée seulement des infusions et des odeurs qui les distinguent les uns des autres.     
(1) Cette croustade doit avoir onze pouces de diamètre sur trois pouces six lignes de hauteur; vous l'entourez avec trois feuilles de papier beurré. On fait cuire cette croustade d'avance, comme une croustade de pâté chaud à la financière, cependant en la dressant très mince. On peut la faire cuire en même temps que le soufflé; elle réussit tout aussi bien: mais le soufflé demande alors un peu plus de cuisson. Je préfère la croustade cuite d'avance.             
Franse soufflé met vanille. (pp.353-355)
Neem twaalf glazen goede melk, kokend, doe er twee vanillestokjes in. Als de melk met een kwart is ingekookt, zeeft U die door een doek in een grote kookpan. En terwijl de melk trekt, wast U in lauw water dat U enkele keren ververst een pond langkorrelige rijst. Vervolgens zet U die in een kookpan met koud water op het vuur. Nadat het enkele minuten heeft gekookt giet U de rijst af in een zeef. Dan doet U [de rijst] in het aftreksel van vanille, en zet het terug op het vuur. Als het goed kookt plaatst U de kookpan op gloeiende as, teneinde de rijst zachtjes te laten wellen. Leg geen vuur (gloeiende kooltjes) op het deksel. Na drie kwartier kooktijd doet U er een pond poedersuiker bij, acht "ons" fijne boter en een snufje zout. Werk alles goed door elkaar. Leg weer gloeiende as onder de kookpan om de rijst te laten sudderen zonder onderbreken, gedurende nog ruim een uur. Hierna moeten de rijstkorrels zacht en verend zijn onder de druk van een vinger. Dan zeeft U het meteen door een fijne zeef, als een puree. Vervolgens doet U deze rijstevla in een grote kookpan die U op gloeiende as zet om het warm te houden. Gedurende die tijd slaat U zestien eiwitten stijf. Zodra ze bijna stevig genoeg zijn haalt U de vla van het vuur en mengt U er de zestien eidooiers door. Het preparaat moet de consistentie hebben van gewone banketbakkersroom, zoniet, dan doet U er wat half stijfgeslagen room bij om het zacht genoeg te maken. Meng er een kwart van de eiwitten door, daarna de rest. Meng dit preparaat luchtigjes, zoals men biscuitdeeg mengt. Als het geheel goed dooreengemengd is giet U het preparaat in een deegkorst (1) die hiervoor is bereid. U zet de soufflé in de oven met gematigde warmte gedurende twee tot twee-en-een-half uur. Als hij klaar is om opgediend te worden, legt U gloeiende as op een grote vlakke schaal. U haalt de soufflé uit de oven om hem erboven [d.i. boven de hete as] te zetten, om hem overeind te houden. Ondertussen bestrooit U hem met poedersuiker die U laat glanzen met een roodgloeiende haardschep, of [de soufflé is] bestrooid met poedersuiker zonder te zijn geglaceerd; dan draagt U hem heel snel naar de eetzaal, waar U de soufflé optilt met de deksel van een kookpan (? volgens mij is dit wat er staat, maar wat er bedoeld wordt weet ik niet). U zet hem op zijn schotel die moet zijn bedekt met een mooi servet van damast. Verwijder de vellen papier die de soufflé ondersteunen, dien hem meteen op.
Deze soufflé, die vervolgens door de gastheer wordt geserveerd, is van een volmaakte zachtheid, en laat niets te wensen over voor zelfs de meest verwende verhemelten.
Deze rijstevla is oneindig veel meer geschikt voor soufflés, omdat ze meer stevigheid heeft en beter overeind blijft dan  aardappelmeel en zelfs van meel van rijstevla (gewoon rijstebloem?) en van kastanjes. Toch zijn die meelsoorten geschikt met dien verstande dat men in korte tijd het peparaat voor soufflé kan maken, terwijl men voor het maken van een rijstevla minstens twee uur nodig heeft. Dat verhindert echter niet dat men aan die laatste [methode] de voorkeur moet geven.
Ingrediëntenlijst:  twaalf glazen melk gereduceerd tot negen, twee vanillestokjes, een pond suiker, een pond langkorrelige rijst, acht "ons" (240 gram) boter uit Isigny, een snufje zout, zestien eidooiers en zestien geslagen eiwitten.
Men neme dezelfde aanwijzingen en dezelfde zorgvuldigheden in acht voor het bereiden van alle preparaten voor de soufflés die volgen. Ik heb alleen een idee gegeven van de aftreksels en smaakgevers die de ene van de andere onderscheiden.
(1) Deze deegbak moet elf duim (27,5 centimeter) in diameter zijn bij drie duim en zes lijn (9 centimeter) hoog. U bekleedt het met drie bladen beboterd papier. Men bakt deze deegkorst van te voren, zoals een deegkorst voor warme paté à la financière, maar bekleedt [de vorm] heel dun. Men kan [de deegkorst] tegelijk met de soufflé bakken, dan wordt ze ook goed, maar de soufflé heeft dan iets meer baktijd nodig. Ik geef er de voorkeur aan de deegkorst vooraf te bakken.

De moderne bewerking van het recept voor muntsoufflé.
Nou, dat was een geweldig verhaal hierboven. Gelukkig kan de moderne bewerking het met minder woorden af.
Tegenwoordig wordt dit soort soufflés met een roux op basis van boter en bloem gemaakt, maar omdat dit een historisch recept is wordt deze soufflé gemaakt op basis van rijst, ook al kost dat meer tijd. Alleen de croustade heb ik ook hier weer niet gebruikt.
Deze soufflé is machtiger dan de aardbeiensoufflé, onderstaande hoeveelheden zijn genoeg voor twaalf personen na een uitgebreid diner. Je kunt de hoeveelheden makkelijk halveren.

Muntsoufflé.

Ingrediëntenlijst:
Voor het aftreksel:
een bosje muntblaadjes (géén stelen)
geraspte schil van 1 citroen
8 deciliter melk
En verder:
180 gram poedersuiker
180 gram rijst of 
80 gram ongezouten boter
snufje zout
6 eidooiers en 6 eiwitten
eventueel wat extra room
extra boter en poedersuiker om de vorm in te vetten en te bestuiven
eventueel: 2 eetlepels crème de menthe
Voor de garnering:
Wat dunne schijfjes citroen, muntblaadjes/bloesem, zilverdragées
souffléschotel met een inhoud van 1½ liter, of 12 kleine soufflévormpjes

Voorbereiding:
Eerst komen de smaakmakers van de soufflé, in dit geval een aftreksel (infusion) van munt en citroen in melk. 
Overgiet de citroen met kokend water om de waslaag te verwijderen (óók bij biologische citroenen), rasp de schil. Haal de muntblaadjes van de steel, was of veeg ze schoon, en snijd of scheur ze in reepjes.
Zet de melk op met de citroenschil en de muntblaadjes, breng tegen de kook aan en laat op laag vuur trekken tot het is ingekookt met een kwart, tot zes deciliter. Zeef de melk daarna.
Was ondertussen de rijst in een zeef onder de stromende kraan met lauw water. Zet de rijst dan op met ruim koud water, breng aan de kook, laat enkele minuten koken, giet daarna de rijst in een zeef af. Doe de rijst dan in een pan met dikke bodem, samen met de gezeefde melk, en breng weer tegen de kook aan. Doe dan de deksel op de pan en het vuur zo laag mogelijk (gebruik desnoods een sudderplaatje), en laat de rijst wellen. Na drie kwartier gaat er de boter en poedersuiker door, en een snufje zout. Roer voorzichtig tot alles goed gemengd is, en laat nog een kwartier sudderen. Pureer nu de rijst ofwel door hem meteen door een zeef te duwen, ofwel er een staafmixer op te zetten en daarna te eventueel te zeven. De gepureerde rijst moet een romige consistentie hebben. Als de puree te stevig is, doe je er enkele eetlepels room door, één voor één, totdat het goed is. Doe terug in de kookpan en houd warm. Als je dat wilt, kun je nu de crème de menthe door de rijstevla roeren. Het staat niet in het originele recept, maar ik vind het wel lekker.
 
Splits de eieren terwijl de rijst suddert. Beboter nu ook de souffléschotel of -kommetjes, en bestrooi de binnenkant met poedersuiker.
Verwarm de oven voor op 170ºC.

Bereiding:
Sla de eiwitten stijf met een snufje zout.
Meng de eidooiers door de warme rijstepuree. Dit doe je door eerst wat van de warme puree door de eidooiers te roeren, dan iets meer. Als het dooiermengsel zelf warm is geworden kan dit bij de rijstemelk worden gegoten, terwijl je goed roert. Zo voorkom je dat de boel gaat schiften. (zie ook hier). Zet de pan terug op laag vuur, en blijf roeren totdat de eidooiers de rijstemelk hebben gebonden tot de consistentie van dikke vla. Spatel nu de stijfgeslagen eiwitten erdoor. Eerst een gedeelte, dan de rest. Giet het mengsel in de soufflévorm, en zet het iets onder het midden in de oven.
Volgens Carême moet de soufflé nu minstens twee uur in de oven, maar bij 170ºC is voor kleine vormpjes 25 minuten en voor grotere maximaal 35 minuten toch echt wel genoeg. 

Serveren:
Bestrooi de soufflé met wat poedersuiker. Carême suggereert dat die nog even gebrand moet worden door er een gloeiende haardschep boven te houden. Die hebben wij waarschijnlijk niet voorhanden, maar Escoffier bijvoorbeeld stelt voor soufflés vijf minuten voor het einde van de baktijd met poedersuiker te bestrooien. In beide gevallen vergroot je de kans op het inzakken van de soufflé. Dus: Serveer na het besuikeren METEEN! 

Hoe splits je eieren?
Dat gaat het beste door het ei gewoon in je (schone!) hand te houden en het eiwit door je vingers te laten lopen. De dooier blijft vanzelf op de vingers liggen. Sommige mensen hevelen de dooier over van schaal naar schaal terwijl het eiwit eruit loopt. Dan heb je het risico dat de eidooier lekgeprikt wordt door een scherp kantje van de eierschaal. Je kunt ook een speciale eierscheider aanschaffen, maar dat vind ik zonde van het geld.
Hoe krijg je eiwitten stijf?

Misschien is het overbodig te zeggen maar toch: een soufflé wordt gemaakt met stijfgeslagen eiwitten, en die worden alleen maar stijf als de eieren op kamertemperatuur zijn, en als er geen spoortje vet bij de gebruikte eiwitten zit. Ik bewaar mijn eieren altijd buiten de koeling. De omloopsnelheid is hoog, en zó snel bederven eieren echt niet.
Breek de eieren één voor één boven een apart kommetje. Als de dooier hierbij kapot gaat kun je het eiwit niet gebruiken. Doe de eiwitten in een aparte kom, en de eidooiers in weer een andere. Je hebt dus drie kommen nodig. Als je twijfelt of de kom voor de eiwitten wel vetvrij is kun je er een partje citroen in wrijven, dan afspoelen met water en afdrogen.

Boter uit Isigny: Isigny ligt in Normandië, tussen Cherbourg en Le Havre. Boter uit deze streek was al in de zestiende eeuw geliefd. Men verklaart de kwaliteit van de boter door de zilte zeelucht en de grassen die de koeien eten. 
Oude Franse maten: Pouce=2,5 centimeter; Ligne= 1/12 pouce=0,226 centimeter; Livre=489,5 gram; Once=1/16 livre=30,59 gram.
Hier is een site met meer oude Franse maten.

Bibliografie
Genoemde edities zijn in mijn bezit. De links verwijzen naar verkrijgbare edities.

Carême, Le Pâtissier Pittoresque. Extraits choisis et presentés par Allen S. Weiss. Ed. Mercure de France, 2003.
Antonin Carême, Le Patissier Royal Parisien ou Traité Elementaire et Pratique de la Patisserie Ancienne et Moderne, tweede editie, 1828 (met dank aan Joop Witteveen, bij wie ik dit exemplaar mocht inkijken).
Auguste Escoffier, Ma Cuisine. Escoffier voor iedereen. Nederlandse editie H&S, Utrecht, 1988. 
Ian Kelly, Cooking for Kings, The life of Antonin Carême, the first celebrity chef. Short Books, 2003.
Anne Willan, Great Cooks and their Recipes. From Taillevent to Escoffier. Bulfinch Press  (Am. editie), 1992.

Carême over deeg.

Bladerdeeg: Voor een pâtissier maakt het nogal uit of het zomer of winter is. Het deeg moet bij voorkeur koel worden bewerkt, en in de zomer is dat natuurlijk moeilijker. Carême geeft de tip tijdens het warme seizoen tussen het uitrollen door het deeg enkele minuten tussen ijs te leggen. Afwijkend van de gangbare mening vind Carême dat bladerdeeg niet moet rusten, maar meteen na de bewerking de oven in moet. 

Een geoefend pâtissier kan in het goede seizoen binnen een kwartier het bladerdeeg hebben gemaakt en in de oven hebben gezet. De werkwijze: de gezeefde bloem wordt op een (in de zomer marmeren) blad gestort. Van deze berg bloem wordt een "kroon" of "fontein" gemaakt door in het midden een kuil te maken die steeds groter wordt totdat je een dijkje van bloem hebt gemaakt waarin vervolgens water, zout en eidooiers worden gegoten. Met de vingertoppen wordt vervolgens beetje bij beetje de bloem erdoor gemengd. Het doet me groot genoegen te zien dat mijn favoriete manier om deeg te maken volgens Carême ook de enige juiste is! Eerst wordt het deeg gemengd zonder boter en uitgerold, dan wordt driekwart van de boter in stukjes op de deegplak gelegd en is de eerste ronde uitrollen-en-opvouwen, dan gaat na enkele minuten rusten de rest van de boter erop en volgt de tweede ronde, en eventueel nog een derde ronde. In totaal is het deeg nu acht tot zestien keer in drieën gevouwen en weer uitgerold. Het resultaat is een luchtig deeg dat prachtig zal rijzen tijdens het bakken. 
Het volgende deeg dat Carême behandelt is bladerdeeg met andere vet dan boter: rund- en kalfsvet, reuzel, en olie. Schoongemaaakt rundvet wordt met olijfolie of reuzel in de vijzel fijngestampt totdat het de consistentie van "winterboter" heeft. Als je rundvet en reuzel in gelijke hoeveelheden gebruikt krijg je een prachtige deegkorst, maar deze moet wel warm worden gegeten.
Deeg met kalfsvet wordt bij voorkeur met vet van gekookte uiers gemaakt (ik neem dan dus maar aan dat die kalveren vrouwelijk zijn en misschien wel pinken? Of de betekenis van tétine is ruimer dan "uier" of "speen"?), dat net als rundvet wordt gemengd met olie of reuzel. Bij gebrek aan uiers gebruikt men kalfsniervet.
Voor deeg met uitsluitend reuzel wordt tijdens de tweede ronde uitrollen-en-opvouwen lauwwarme gesmolten reuzel over het deeg gestreken, in plaats van stukjes koude boter.
En voor deeg met olijfolie tenslotte gaat men te werk als voor deeg met reuzel.

Vier voorbeelden van pasteikorsten uit de Pâtissier Royal.

Korstdeeg: Voor korstdeeg voor bijvoorbeeld grote pasteien en croustades bekleedt men een beboterde vorm met dun uitgerold deeg. De consistentie van het deeg moet precies goed zijn. Is het te droog dan krijg je het moeilijk goed in de vorm en komen er barsten in de korst, en is het deeg te week dan komt het ook niet goed uit de oven. Als de consistentie niet goed is moet je er kleine hoeveelheden water of bloem op sprenkelen totdat het goed is. Het deeg wordt gemaakt met bloem, eidooiers, boter, water en een beetje zout. In tegenstelling tot bladerdeeg moet dit deeg wel goed worden gekneed tot één stevig maar elastisch geheel. Het deeg mag vooral niet uitdrogen, als het niet meteen wordt gebruikt moet het in een vochtige doek worden bewaard. In de zomer moet men snel werken, omdat het deeg door de hitte van de handen "verbrand": het valt uit elkaar. Als dit gebeurt, snijdt men de deegbal in vier plakken, bevochtigt die met water, stapelt ze op elkaar en gaat opnieuw -kort- kneden. Dan is het deeg weer goed te gebruiken. In de winter is het makkelijker om deeg te maken, maar ook dan moet men er zorg voor dragen dat het deeg de juiste vochtigheidsgraad heeft.
Dit korstdeeg is waarvan de croustade voor de soufflés van gemaakt moest worden. Op de foto linksboven zijn de bovenste twee vormen en die linksonder geschikt voor soufflés (althans, in de voetnoot bij het recept voor soufflé f
rançais staat dat de croustade wordt gemaakt als voor warme pastei financière, en bij dat recept worden deze pasteivormen aangeraden).
Moderne recepten voor pasteideeg.

Thematisch overzicht recepten

LiveJournal

Contact

Updates


Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 09-01-10.

Inleidende teksten, bewerkingen en foto's van gerechten zijn eigendom van Coquinaria en mogen niet zonder toestemming en bronvermelding worden overgenomen.