Inleidende teksten, bewerkingen en foto's van gerechten zijn eigendom van Coquinaria en mogen niet zonder toestemming en bronvermelding worden overgenomen.
recept november/december
2006
Sluberkens en gevulde kweeën
Twee middeleeuwse gerechten met merg. English
version of this recipe
Omdat ik onlangs het boek Bones
heb aangeschaft, dat als voorkant een foto heeft van prachtige geroosterde
mergpijpen, ben ik eens in de edities van middeleeuwse kookteksten die in mijn
kast staan gedoken om te kijken wat er toen met merg gedaan werd.
Welnu, merg werd ondermeer gebruikt in sauzen en pasteien (zoals niervet of
boter wordt
gebruikt), en ook wel geserveerd als mergpap. Twee toepassingen vielen mij vooral op:
het recept voor 'sluberkens', kleine pasteitjes met merg en suiker, en de vele combinaties met kweeën, zowel in taarten als
hele, met merg
gevulde en geroosterde of gestoofde kweeën. De sluberkens waren volgens het
Notabel boecxken van Cokeryen (zie verderop)bedoeld als voorgerecht ("Ende dan dient mense metten
eersten gerechte"). Voor de kweeën ben ik geen
menu-aanwijzing tegengekomen. Ze kunnen dienen als bijgerecht bij de hoofdgang,
of als nagerecht.
Merg werd niet alleen in de Middeleeuwen lekker gevonden.
In de zeventiende en achttiende eeuw was het gebruikelijk om geroosterde
merpijpen zó op te dienen (zie het kaft van het boek Bones). Er
werd zelfs speciaal bestek voor ontwikkeld, de merglepel (zie onderaan deze pagina). Jammer dat
tegenwoordig mergpijpen vooral als knaaggoed voor honden worden gezien.
Sluberkens of Slupers werden lekker
gevonden. De oorsprong van de naam is niet precies bekend. Volgens het
Middelnederlandsch Woordenboek is een 'sluper' verwant aan Vlaams 'sluymer',
dat volgens Kiliaen betekent "artocreae sive lagani delicatioris genus" ofwel
"vleespasteitjes of pannekoekjes van verfijndere aard". In drie van de zes
middelnederlandse kookteksten kun je er recepten voor vinden, in ms UB Gent 476
(dit is het onderstaande recept, editie recept nr 41), het Notabel boecxken
van Cokeryen (editie recept nr 155, zelfde recept, maar dan zonder ei), en
het Nieywen Cooc boeck van Gheeraert Vorsselman (editie recepten XI.12 en
XIV.10, deze recepten gebruiken gekookte eieren in plaats van rauwe eidooiers in
de vulling). Er bestaan ook recepten voor mergpasteitjes in andere talen, zoals
in het Engelse Forme of Cury uit de veertiende eeuw, waar ze 'pety
peruaunt' heten (editie recept nr 203), en mergbeignets zoals bij de Ménagier
de Paris ("Buignets de mouelle", editie recept nr 224).
Kweeën gevuld met merg lijkt een vreemde
combinatie. Maar vervang 'kwee' door 'appel' en 'merg' door 'boter', en dan heb je een
heel bekend recept. De gevulde kweeën werden in vocht worden gestoofd,
of in een pastei gebakken. Omdat de 'slurpertjes' ook al pasteitjes zijn, staat
hieronder een recept voor in wijn gestoofde kweeën. Ik geef de tekst van het
recept uit ms UB Gent 476, maar Karel Baten (Carolus Battus) geeft in zijn
Seer excellenten ghe-experimenteerden nieuwen Coc-boeck uit 1593 hetzelfde
recept, met de wijze van opdienen erbij: "snijdt
snekens wittebroot in u schotelkens ende set daer u peeren op ende gieter u sop
over ende dienet ter tafelen" (editie p.5 kol.1). Een ander recept voor met
merg gevulde kweeën staat in het derde deel van het Gentse convoluut KANTL 15
(editie recept nr 263). Hier wordt het merg met kaneel en gember gekruid, de
krenten ontbreken, en de wijn is rood in plaats van wit.
Andere recepten met kwee op
deze site: Middeleeuwse kerstgans,
Kweeëntaart.
De oorspronkelijke recepten
voor "slurpertjes" en gevulde kweeën uit ms
UB Gent 476 (editie recepten
41 en 195, resp. p.77 en
127).
Het manuscript UB Gent 476 waaraan
onderstaande recepten zijn ontleend bevat geen titel, en er is ook geen
auteursnaam. Het begint met een later toegevoegde lijst van de recepten en het
bladnummer (niet de bladzijde) waar de recepten te vinden zijn, daarna volgen de
recepten. Op de laatste bladzijde staan enkele aantekeningen van bezitters of
gebruikers, waaruit blijkt dat het boek waarschijnlijk eind zestiende eeuw in
het bezit was van een familie Vander Strinck. Er staan veel lekkere recepten in
dit kookboek, maar ook enkele medicijnen, en -heel zeldzaam in die tijd- een
overzicht van de volgorde waarin gerechten werden geserveerd. Helaas is die
lijst systematisch noch volledig.
Om te maicken sluberkens
Soe salmen nemen merck ende hacken dat al cleijn ende doen
daer in
caneel ende suker ende corenten ende mengen dit al tesamen mittet
merck ende dan twee of drie doeyeren van rauwen eijeren ende doen die mede
int merck ende roerent samen om ende nemen dan deech ende leggense
daer in ende maickense vander groette datmen appelrefoelkijns
maict ende settense dan in eenen oven te backen, ende dan
soe gedient
ende werm gegeten.
Om slurpertjes te maken.
Daartoe moet men merg fijnhakken. Doe er kaneel, suiker en krenten bij en
meng alles samen met het merg. Doe dan ook twee of drie dooiers van rauwe
eieren bij het merg en roer het samen om. Neem dan deeg en leg [de vulling]
daar in. Maak [de pasteitjes] net zo groot als appelpasteitjes en bak ze
vervolgens in een oven. Dan worden ze zo opgediend en warm gegeten.
Que-appelen met de merch
in soppe
nempt u appelen en sceltse ende doet dat clockhuijs uuijt
ende steckter merch ende correnten in ende nempt witte wijn en suker en
rechse daer op alsse wel
ghestoft is.
Kweeappels
met het merg in vocht.
Neem uw [kwee]appels, schil ze, en haal het klokhuis eruit. Steek er merg en
krenten in. Neem witte wijn en suiker en dien ze daarin op als ze goed
gestoofd zijn.
De naam 'sluberkens' is bepaald niet verkeerd gekozen. Deze pasteitjes zijn om
te slurpen zo lekker! De bereiding is niet moeilijk, en neemt ook niet veel tijd
in beslag. Volgens Thomas vander Noot moeten de pasteitjes als
voorgerecht worden geserveerd. In een historische maaltijd zou ik dat ook zéker
doen. Maar als nagerecht zijn ze ook lekker.
Voor vier tot zes pasteitjes.
Ingrediëntenlijst:
200 gram korstdeeg
1 rauwe eidooier om het deeg mee te bestrijken
Voor de vulling:
90 gram merg (2 tot 3 mergpijpjes)
50 gram suiker
30 gram krenten
1 theelepel kaneelpoeder
1 of 2 rauwe eidooiers
Voorbereiding:
Week de mergpijpjes enkele uren in gezouten water dat af en toe wordt ververst.
Spoel ze af, kook ze daarna in nieuw gezouten water gedurende tien tot vijftien minuten. Laat iets afkoelen, schuif of
schep dan het merg uit het bot.
Bereiding:
Verwarm de oven voor op 200EC.
Meng het nog warme kleingesneden of geprakte merg met suiker, krenten, kaneel en
eidooier. Als je het merg laat afkoelen is het weer hard geworden.
Bestrooi het aanrecht met bloem. Rol het korstdeeg uit, snijd er vier tot zes
rondjes uit met een diameter van twaalf tot vijftien centimeter. Schep op ieder deegrondje een eetlepel vulling, klap de
rondjes dicht en druk de randen goed aan. Bestrijk de halve maantjes met
eidooier. Leg de pasteitjes op een bakplaat in het midden van de oven, bak ze in
twintig minuten gaar.
Reken één kwee per persoon, maar als
de kweeën heel groot zijn uitgevallen kun je de kweeën misschien beter halveren
voor het opdienen. In tegenstelling tot de mergpasteitjes die redelijk snel
klaar zijn, moet je voor dit gerecht de tijd nemen. Kweeën moeten namelijk zo'n
anderhalf tot twee uur koken. Gelukkig hoef je niet steeds bij de pan de staan, dus
het valt mee.
Wat NIET mee zal vallen is overigens het verwijderen van het klokhuis. De vrucht
is keihard, de appelboor kun je wel vergeten. Het beste gebruik je een puntig
mes om een conische snee te maken aan de kant van de steelaanzet, en daarna net
zo lang te schrapen en te scheppen totdat je het klokhuis inclusief de wittige
vliezen eromheen eruit hebt gepulkt. In de Middeleeuwen werd hiervoor een
'crauwelkin', een vleesvorkje met gebogen tanden, gebruikt.
De pitten kun je bewaren en invriezen voor als je ooit gelei of jam wilt maken.
Overigens, de foto rechtsonder is niet bewerkt. De kweeën hebben echt deze mooie
warme kleur na het koken.
Ingrediëntenlijst:
4 kweeën
70 gram merg
60 gram krenten
Stoofvocht:
witte wijn (zoveel dat de peren net niet onder staan)
per kwart liter wijn 100 gram suiker
En tenslotte:
4 witte boterhammen zonder korst
Voorbereiding:
Kook de geweekte mergpijpen (zie het recept voor 'sluberkens') twaalf minuten in runderbouillon of
gezouten water. Laat ze iets afkoelen, schuif het merg eruit, snijd terwijl het
nog warm is in kleine stukjes, en doe er de krenten bij.
Schil de kweeën, haal het klokhuis eruit. Let erop dat je niet door de kwee heen
gaat, de vrucht moet van onderen dicht blijven. Vul de holte met het
mergmengsel, druk goed aan.
Bereiding:
Kies een pan waarin de kweeën net passen. Strooi om te beginnen 200 gram suiker
over de bodem. Zet de kweeën rechtop in de pan, giet er een halve liter wijn
langs. Als de wijn tot ongeveer anderhalve centimeter onder de bovenkant van de
kweeën komt is het goed. Doe er anders nog wat suiker en wijn bij.
Breng de wijn aan de kook, zet het vuur laag en sluit de pan. Laat nu de kweeën
in anderhalf tot twee uur gaar stoven.
Haal de kweeën een uur vóór het serveren van het vuur, laat ze in het kookvocht
zitten tot het moment van serveren. Het stoofvocht is -net als de kweeën zelf-
prachtig rozerood verkleurd.
Rooster vlak voor het serveren vier ontkorste sneetjes witbrood.
Serveren:
Niet gloeiend heet, maar wel warm. Merg stolt namelijk weer bij het afkoelen, en
dat is minder lekker.
Leg op de bodem van ieder schaaltje een geroosterde boterham. Zet er een kwee
op, en giet er wat van het kookvocht over.
Variant: Je kunt een soort appelbol maken: Doe net zoveel suiker als
merg (of boter) in de vulling van de kwee (en kaneelpoeder en krenten). Rol
(eventueel gezoet) korstdeeg uit, strooi in het
midden wat suiker en kaneelpoeder, zet de gevulde kwee erop en vouw het deeg
eromheen. Snijd overtollig deeg weg en knijp alle randen goed dicht. Bak
anderhalf uur in de oven op 175EC.
Kiliaen(geen ingrediënt, maar
wel een uitleg): Cornelis van Kiel (ca 1530-1607) schreef het eerste Nederlandse
woordenboek, het Dictionarium Teutonico-Latinum (1574). Behalve Latijn
wordt ook Duits en Frans gebruikt om de betekenis van Nederlandse woorden te
verduidelijken. Zie de Belgische website
Taalvantaal.
Krenten: Krenten zijn
rozijnen, maar niet alle rozijnen zijn krenten. Een rozijn is een gedroogde
druif. Krenten worden van een speciale druivesoort met kleine druiven gemaakt
die oorspronkelijk in het griekse Corinthe groeide (vandaar de naam 'krent').
Zie ook Rozijnen.
Kweeën:
Deze vruchten zijn verwant aan appels en peren en horen net als deze tot de famlie der roosachtigen. De wetenschappelijke naam luidt: Cydonia oblonga. De geurige, met grijzig dons bedekte vruchten komen oorspronkelijk uit de Kaukasus, maar ze werden al door de Grieken gewaardeerd. De kwee was gewijd aan Aphrodite, en men gaat ervan uit dat de beroemde gouden appel die Paris aan Aphrodite gaf een kwee was.
De Japanse sierkwee wordt niet gebruikt om te koken.
Vanwege hun geurigheid werden kweeën in het verleden gebruikt in reukwaters en als "luchtverfrisser".
In rauwe staat zijn kweeën niet te eten, ze zijn veel te hard, en te zuur. Meestal worden ze gekookt, maar ze kunnen ook in de oven worden gepoft, net als appels. Omdat de vruchten zeer veel pectine bevatten zijn ze uitstekend geschikt om gelei van te maken.
Gekookte kweeën hebben een mooi zachtrose tint.
Het verschil tussen een kwee-appel en een kwee-peer is alleen de vorm. Het is
precies dezelfde vrucht.
De oogsttijd is oktober/november, maar kweeën zijn lang goed te houden.
Merg is het vette weefsel dat
de holtes in beenderen opvult. Het is tegenwoordig niet erg geliefd, terwijl het
vroeger als een lekkernij gold. Merg haal je het beste uit de scheenbenen
(schenkels) van vleesvee (rund, kalf, varken, schaap, maar rund en kalf zijn het
meest gebruikelijk). Het beenmerg is rijk aan ijzer, fosfor, en vitamine A. In
de moderne burgerkeuken kom je schenkels hooguit nog in de soep tegen, of als
ossobucco. Het merg wordt vaak niet eens gegeten maar onwetend (of walgend)
weggegooid.
In tegenstelling tot wat je zou verwachten, is mergvet helemaal niet ongezond.
Het is rijk aan enkelvoudig onverzadigd vetzuur, dat cholestorolverlagend werkt.
Het regelmatig consumeren van merg (maar wel met mate!) zou het risico op
hartaanvallen kunnen doen verminderen. Dit is echter nog niet 100% bewezen.
Voordat je iets met het merg kan doen, moet je de mergpijpen (de botten waar het
merg in zit) minstens twaalf uur weken in water met een paar eetlepels zout. Dit
gezouten water moet een paar keer worden ververst. Je zult zien dat het water
rood verkleurt door het uitgetrokken bloed. Daarna spoel je de pijpen af
en dep je ze droog.
Er zijn twee basisbereidingen:
pocheren en roosteren. Als je mergpijpjes pocheert heb je aan vijftien
minuten genoeg. Roosteren duurt ongeveer
net zo lang, in een hete oven (225-240EC).
Voor het roosteren zet je de botten rechtop in een ingevette ovenschaal. Na het
roosteren worden de mergpijpen op een bord gezet en geserveerd met een
merglepel. Het merg wordt aan tafel uit de botten geschept, op verse toast gesmeerd, en
bestrooid met zout.
De merglepel is rond 1700 onstaan, toen het eten van mergpijpjes heel populair
was. Deze lepel kon aan twee kanten worden gebruikt, voor smalle en
bredere mergpijpen.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op
09-01-10.
Inleidende teksten, bewerkingen en foto's van gerechten zijn eigendom van Coquinaria en mogen niet zonder toestemming en bronvermelding worden overgenomen.